ECLI:NL:PHR:2002:AD8887
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijsuitsluiting bij onrechtmatige huiszoeking en verwerpt beroep tegen veroordeling wegens drugshandel en uitkeringsfraude
Verdachte werd door de politierechter veroordeeld voor medeplegen van verkoop en vervoer van hennep en het aanwezig hebben van middelen op lijst II van de Opiumwet. Een deel van het bewijs was verkregen na een onrechtmatige huiszoeking in zijn woning op 27 augustus 1996. Het hof sprak verdachte vrij van een tenlastelegging die uitsluitend op dit onrechtmatig verkregen bewijs was gebaseerd, maar verwierp het verweer dat ook ander bewijs hierdoor besmet zou zijn.
Het hof oordeelde dat de verdenking van uitkeringsfraude was ontstaan tijdens het onderzoek naar de Opiumwetdelicten en dat het bewijs daarvoor niet uitsluitend voortkwam uit de onrechtmatige huiszoeking. De Hoge Raad toetste dit oordeel op begrijpelijkheid en bevestigde dat bewijsuitsluiting alleen aan de orde is indien het bewijsmateriaal uitsluitend door onrechtmatig handelen is verkregen.
Het cassatieberoep faalde omdat het hof terecht had geoordeeld dat het bewijsmateriaal voor de veroordelingen niet uitsluitend het gevolg was van de onrechtmatige huiszoeking. Ook het verweer dat de kostganger die bij de huiszoeking werd aangetroffen geen bewijs uitsloot, werd verworpen omdat deze persoon al lang op het adres van verdachte stond ingeschreven. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde het vonnis van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling ondanks de onrechtmatige huiszoeking.