ECLI:NL:PHR:2002:AD9123

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/204HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag wegens weigering verhuizing: kennelijk onredelijk ontslag en schadevergoeding

Eiser werd ontslagen door zijn werkgever Esveha vanwege de verplaatsing van de vestiging van plaats A naar 's-Hertogenbosch. Esveha stelde een verhuisverplichting, hoewel het Sociaal Plan dit niet voorschreef. Eiser weigerde te verhuizen en bleef in plaats A wonen, wat leidde tot ontslag. De rechtbank oordeelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was omdat Esveha onjuiste informatie gaf over de verhuisverplichting en kende eiser een schadevergoeding toe van negen maal het bruto maandsalaris plus vakantietoeslag.

De Hoge Raad vernietigde het vonnis omdat de rechtbank feiten had betrokken die niet in het geding waren, waarna de zaak werd verwezen naar het hof. Het hof bevestigde de schadevergoeding, maar motiveerde dat eiser niet duidelijk had aangegeven bereid te zijn in Den Bosch te werken zonder verhuisverplichting. Eiser stelde echter steeds dat hij niet wist dat werken zonder verhuizen mogelijk was.

De Hoge Raad stelt dat het hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld en niet gebonden was aan die motivering, omdat het oordeel van de rechtbank dat het ontslag kennelijk onredelijk was vanwege de onjuiste verhuisverplichting onbestreden bleef. Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt opnieuw verwezen voor een beslissing over de omvang van de schadevergoeding.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe beslissing over de schadevergoeding.

Conclusie

Rolnummer C00/204
mr. De Vries Lentsch-Kostense
Zitting 25 januari 2002
Conclusie inzake
[Eiser]
tegen
Esveha B.V.
Inleiding
1. In deze zaak is door thans eiser tot cassatie, verder: [Eiser], reeds eerder cassatieberoep ingesteld: het destijds bestreden eindvonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage is bij arrest van 20 februari 1998, NJ 1998, 444, vernietigd op de grond dat de Rechtbank aan haar beslissing feiten ten grondslag had gelegd die niet door partijen waren gesteld of anderszins in het geding te harer kennis waren gekomen. [Eiser] heeft zich ook niet kunnen verenigen met het arrest dat vervolgens is gewezen door het Gerechtshof te 's- Gravenhage waarnaar de zaak was verwezen; hij heeft wederom cassatieberoep ingesteld. Naar mijn oordeel moet ook dit beroep slagen.
2. Het gaat in deze zaak om het volgende.
[Eiser] is door zijn werkgever, thans verweerster in cassatie Esveha, met ingang van 1 mei 1994 ontslagen. [Eiser] was toen 45 jaar oud en reeds 16 1/2 jaar in dienst bij Esveha en werkzaam in de vestiging in [plaats A] waar hij met zijn gezin woonde; hij was magazijnmedewerker met een maandloon van f 2.109,37 netto. Het ontslag vond plaats in het kader van de verplaatsing van de [...] vestiging [te plaats A] naar 's Hertogenbosch. In verband met die verplaatsing had Esveha een reorganisatieplan opgesteld waaraan een Sociaal Plan was verbonden.
De Rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 29 november 1995 vastgesteld dat Esveha aan [eiser] een vervangende baan in de vestiging te 's-Hertogenbosch heeft aangeboden met een "verhuisverplichting" naar 's-Hertogenbosch hoewel het Sociaal Plan zo'n verplichting niet bevatte. De Rechtbank heeft tevens vastgesteld dat [eiser] op 17 augustus 1993 en op 13 oktober 1993 in gesprekken met Esveha heeft verklaard dat hij in verband met familieomstandigheden niet wilde overgaan naar de vestiging in 's Hertogenbosch. In haar eindvonnis van 28 augustus 1996 heeft de Rechtbank vastgesteld dat het duidelijk was dat [eisers] weigering om in 's-Hertogenbosch te gaan werken sterk werd bepaald door zijn wens in [plaats A] te blijven wonen. De Rechtbank heeft in haar tussenvonnis voorts vastgesteld dat [eiser] heeft gesteld dat hij tijdens de hoorzitting van 14 december 1993 (de hoorzitting die in verband met de door Esveha gevraagde ontslagvergunning werd gehouden voor het Centraal Bureau voor de Grafische bedrijven en waarbij ook Esveha was vertegenwoordigd zoals mede blijkt uit productie 3 bij de memorie van antwoord) heeft medegedeeld dat hij wel een vervangende baan in 's Hertogenbosch wilde aanvaarden maar niet naar die plaats wilde verhuizen. Esveha heeft [eiser] op 28 oktober 1993 ontslag aangezegd; zij heeft - na daartoe verkregen toestemming van het Centraal Bureau voor de Grafische bedrijven - op 7 januari 1994 de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 1 mei 1993. De Rechtbank heeft vastgesteld - in verband met de vraag of herstel van de dienstbetrekking mogelijk was - dat Esveha voor haar vestiging in 's-Hertogenbosch op 24 december 1994 met vijf uitzendkrachten een dienstverband voor een jaar is aangegaan en dat op 19 januari 1994 een zesde uitzendkracht voor een jaar in dienst is genomen waarna er geen vacature meer bestond.
Vooropstellend dat Esveha aan [eiser] een verhuisverplichting heeft gepresenteerd die gelet op de regeling in het Sociaal Plan niet afdwingbaar was, heeft de Rechtbank in haar eindvonnis het ontslag kennelijk onredelijk geoordeeld, daartoe overwegende "Nu Esveha aan [eiser] op dit cruciale punt - het was immers duidelijk dat [eisers] weigering om in 's-Hertogenbosch te gaan werken werd bepaald door zijn wens in [plaats A] te blijven wonen - onjuiste informatie heeft gegeven, acht de rechtbank het vervolgens op grond van die weigering aan [eiser] gegeven ontslag kennelijk onredelijk." De Rechtbank heeft daarop conform [eisers] vordering voor recht verklaard dat het door Esveha aan [eiser] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is; zij heeft [eisers] subsidiaire vordering tot schadevergoeding gedeeltelijk toegewezen met dien verstande dat zij Esveha veroordeelde om een schadevergoeding te betalen ten bedrage van negen maal het laatst verdiende bruto-maandsalaris, te vermeerderen met de toepasselijke bruto vakantietoeslag, vermeerderd met de wettelijke rente. Bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding heeft de Rechtbank in haar eindvonnis rekening gehouden met enerzijds het 16 1/2 jarig dienstverband van [eiser], zijn leeftijd van 45 jaren ten tijde van het ontslag en zijn in verband daarmee relatief geringe kansen op de arbeidsmarkt, en anderzijds "het feit dat [eiser] gedurende de maanden januari tot en met april 1994 geen arbeid voor Esveha heeft hoeven verrichten, doch wel zijn salaris heeft ontvangen". Het door [eiser] ingestelde (eerste) cassatieberoep richtte zich uitsluitend tegen deze laatste overweging; Esveha is in cassatie niet verschenen. Zoals hiervoor onder 1 reeds aangegeven, heeft de Hoge Raad zijn arrest van 20 februari 1998 het vonnis van de Rechtbank vernietigd op de grond dat de Rechtbank aan haar beslissing feiten ten grondslag had gelegd die niet door partijen waren gesteld of anderszins in het geding te harer kennis waren gekomen voorzover zij haar beslissing heeft gegrond op de vaststelling dat [eiser] gedurende de maanden januari t/m april 1994 geen arbeid voor Esveha heeft hoeven verrichten. Het bestreden vonnis werd vernietigd en de zaak werd verwezen naar het Gerechtshof te 's- Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.
Het Haagse Hof heeft vooropgesteld dat nog uitsluitend behoefde te worden beslist omtrent de omvang van de aan [eiser] toe te kennen schadevergoeding. Het Hof is tot de slotsom gekomen dat, gelet op alle omstandigheden van het onderhavige geval, een schadevergoeding van negen maal het laatst verdiende bruto maandsalaris, te vermeerderen met de bruto vakantietoeslag, redelijk is (waarmee het Hof tot een zelfde resultaat kwam als de Rechtbank). Het Hof heeft daarbij aangegeven welke omstandigheden het in aanmerking heeft genomen. Na een opsomming van andere omstandigheden overwoog het "ten slotte" van belang te achten "dat gesteld noch gebleken is dat [eiser] tijdens de gesprekken die in augustus en oktober 1993 met hem zijn gevoerd duidelijk heeft aangegeven wel bereid te zijn in 's-Hertogenbosch te gaan werken, indien hij niet verplicht zou worden te verhuizen".
3. [Eiser] heeft - tijdig - cassatieberoep ingesteld. Esveha is in cassatie niet verschenen. [Eiser] heeft zijn cassatieberoep schriftelijk toegelicht.
Het cassatiemiddel
4. Hoewel de aanhef van de in het middel vervatte motiveringsklacht anders doet vermoeden, beoogt het middel kennelijk niet te klagen dat het Hof eraan heeft voorbijgezien dat [eiser] wel degelijk heeft gesteld dat hij tijdens de gesprekken in augustus en oktober 1993 heeft aangegeven bereid te zijn in Den Bosch te gaan werken als hij niet behoefde te verhuizen. Een dergelijke klacht zou ook falen omdat uit de gedingstukken geenszins blijkt van een dergelijke stelingname.
Het middel strekt ten betoge dat onbegrijpelijk is 's Hofs oordeel dat voor de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding van belang is dat niet is gesteld en dat evenmin is gebleken dat [eiser] tijdens de gesprekken in augustus en oktober 1993 duidelijk heeft aangegeven bereid te zijn in Den Bosch te gaan werken indien hij niet verplicht zou worden te verhuizen. Geklaagd wordt dat het Hof "de kern van de discussie heeft gemist" nu [eiser] in alle fasen van de procedure steeds weer heeft gesteld dat hij niet heeft geweten dat hij in Den Bosch kon gaan werken zonder verplicht te zijn te verhuizen en nu Esveha hem steeds weer duidelijk heeft gemaakt dat hij het werk in Den Bosch alleen kon aanvaarden als hij en zijn gezin daadwerkelijk naar Den Bosch of de directe omgeving daarvan zouden verhuizen; betoogd wordt dat de vraag derhalve niet kon zijn of [eiser] wel duidelijk heeft aangegeven bereid te zijn in Den Bosch te gaan werken. Ter adstructie van de stelling dat [eiser] steeds weer heeft gesteld dat hij niet wist dat er geen verhuisplicht bestond, is in het middel een reeks citaten uit de gedingstukken opgenomen.
5. Het middel slaagt. Inderdaad is onbegrijpelijk dat het Hof bij de vaststelling van de aan [eiser] toekomende schadevergoeding kennelijk in het nadeel van [eiser] van belang heeft geacht dat gesteld noch gebleken is dat [eiser] tijdens de gesprekken die in augustus en oktober 1993 met hem zijn gevoerd over een vervangende baan in Den Bosch, duidelijk heeft aangegeven bereid te zijn in Den Bosch te gaan werken indien hij niet verplicht zou worden te verhuizen. De Rechtbank heeft immers geoordeeld dat de kennelijke onredelijkheid van het door Esveha aan [eiser] gegeven ontslag, gegrond als dat was op diens weigering in Den Bosch te gaan werken, nu juist daarin was gelegen dat Esveha aan [eiser] op het punt van de verhuisverplichting onjuiste informatie had gegeven die cruciaal was omdat duidelijk was dat [eisers] weigering om in 's-Hertogenbosch te gaan werken werd bepaald door zijn wens in [plaats A] te blijven wonen. Het Hof was bij zijn beslissing aan dat oordeel gebonden nu dat oordeel in het eerste cassatieberoep onbestreden is gebleven. Dat zo zijnde is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk 's Hofs, in zijn gewraakte overweging besloten liggende oordeel, dat [eiser] tijdens de gesprekken in augustus en oktober 1993 duidelijk had moeten aangeven bereid te zijn in Den Bosch te gaan werken indien hij niet verplicht zou worden te verhuizen. Daarbij komt nog dat de Rechtbank heeft vastgesteld dat [eiser] heeft gesteld dat hij tijdens de hoorzitting op 14 december 1993 heeft medegedeeld dat hij een vervangende baan in den Bosch wilde aanvaarden maar niet naar die plaats wilde verhuizen (een stelling die door Esveha is betwist), terwijl uit hetgeen de Rechtbank voorts heeft overwogen blijkt dat deze mededeling is gedaan op een tijdstip waarop in de vestiging in Den Bosch nog vacatures waren; ik verwijs in dit verband naar hetgeen ik hiervoor onder 2 aantekende.
Terzijde teken ik nog aan dat het Hof zijn in rechtsoverweging 5 gegeven oordeel - gezien zijn expliciete referte aan hetgeen in rechtsoverweging 4 is overwogen - mede baseert op de omstandigheid dat niet is gesteld of gebleken dat [eiser] in augustus en oktober duidelijk heeft aangegeven wel bereid te zijn in Den Bosch te gaan werken indien hij niet verplicht zou worden te verhuizen.
Ik kom tot de slotsom dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven en dat - wederom - verwijzing zal moeten volgen ter fine van een beslissing omtrent de omvang van de aan [eiser] toe te kennen schadevergoeding.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden