AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling normale arbeidsduur voor minimumloonberekening bij parttime parkeerwachter
In deze zaak stond centraal de vraag hoe de normale arbeidsduur moet worden bepaald voor de berekening van het minimumloon en de minimumvakantiebijslag van een parttime werknemer werkzaam als parkeerwachter bij Heracles Parkeer Diensten B.V. De werknemer vorderde betaling van achterstallig salaris op grond van een lagere normale arbeidsduur dan door de werkgever werd gehanteerd.
De arbeidsovereenkomst vermeldde een arbeidsduur van 45 uur per week, maar de werknemer stelde dat de normale arbeidsduur 40 uur per week bedraagt, zoals ook in de toepasselijke CAO's en de Arbeidstijdenwet wordt aangenomen. Zowel de kantonrechter als de rechtbank gaven de werknemer gelijk en stelden de normale arbeidsduur op 40 uur.
Heracles stelde in cassatie dat de rechtbank onterecht aansluiting had gezocht bij CAO's voor schoonmaak- en beveiligingspersoneel en dat de unieke combinatie van werkzaamheden van haar werknemers niet vergelijkbaar zou zijn met die functies. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank geen onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd en dat het begrip 'overeenkomstige arbeidsverhoudingen' ruim moet worden uitgelegd, waarbij een redelijke mate van overeenstemming in de aard van de werkzaamheden voldoende is.
De Hoge Raad wees erop dat bij het ontbreken van een CAO de normale arbeidsduur wordt bepaald aan de hand van overeenkomstige arbeidsverhoudingen en dat de door de rechtbank gevolgde benadering, waarbij verschillende aspecten van de functie afzonderlijk werden vergeleken, niet onjuist is. De klachten van Heracles faalden, mede omdat zij in cassatie nieuwe feiten aanvoerde die niet eerder waren ingebracht. De conclusie van de Advocaat-Generaal was om het cassatieberoep te verwerpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de normale arbeidsduur voor de berekening van het minimumloon 40 uur per week bedraagt.
Conclusie
C00/244
Mr. Keus
Zitting 1 februari 2002
Conclusie inzake:
Heracles Parkeer Diensten B.V.
(hierna: Heracles)
tegen:
[Verweerder]
1. Feiten en procesverloop
1.1 Het gaat in deze zaak om de wijze waarop de rechtbank toepassing heeft gegeven aan het begrip "normale arbeidsduur" van art. 12 vanPro de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: Wmm).
1.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan(1):
(a) [Verweerder] is op basis van een schriftelijke arbeidsovereenkomst, welke is getekend op 17 maart 1995, op 15 maart 1995 voor de duur van een jaar in dienst getreden bij de rechtsvoorgangster van Heracles. De arbeidsovereenkomst is tweemaal stilzwijgend verlengd. Met ingang van 23 september 1997 is [verweerder] niet meer bij Heracles in dienst.(2) [Verweerder] was parttime werkzaam in de functie van parkeerwachter. De door [verweerder] gewerkte uren werden door gedaagde maandelijks uitbetaald, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.
(b) Heracles betaalde aan [verweerder] een uurloon dat Heracles berekende door het bruto minimumloon per week, zoals dat op basis van art. 8 joPro. 14 Wmm wordt vastgesteld, te delen door 45.
(c) De vakantie-uren van [verweerder] werden maandelijks door Heracles aan [verweerder] betaald in de vorm van een toeslag van 7,7% op het salaris.
(d) [Verweerder] heeft bij Heracles gemiddeld ongeveer 50 uur per maand (12 uur per week) gewerkt.
1.3 [Verweerder] heeft gevorderd dat Heracles wordt veroordeeld aan hem te voldoen een bedrag van fl. 2.395,21 aan achterstallig salaris, alsmede de wettelijke verhoging van 50% op grond van art. 18c Wmm, vermeerderd met de wettelijke rente.
1.4 [Verweerder] heeft aan deze vordering, voor zover in cassatie nog van belang, ten grondslag gelegd dat op grond van art. 12 WmmPro voor de berekening van het hem toekomende uursalaris het minimum weekloon niet door 45, maar door 40 uur (als normale arbeidsduur) moet worden gedeeld. Hij heeft aangevoerd dat algemeen is aanvaard dat een werkweek gemiddeld niet meer dan 40 uur kan beslaan. Voorts heeft hij een beroep gedaan op art. 5:7 ArbeidstijdenwetPro.
1.5 Heracles heeft als verweer gevoerd dat bij haar de normale arbeidsduur 45 uur per week bedraagt, dat op de arbeidsovereenkomst met [verweerder] geen CAO van toepassing is en dat zij met [verweerder] in art. III lid 1 jo. lid 2 van de arbeidsovereenkomst een normale arbeidsduur van 45 uur per week is overeengekomen. Volgens Heracles staat de Arbeidstijdenwet hieraan niet in de weg.
1.6 De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 23 juni 1998, voor zover in cassatie nog van belang, geoordeeld dat voor toepassing van art. 12 WmmPro in dit geval van een normale arbeidsduur van 40 uur per week moet worden uitgegaan (rov. 12), en de vordering van [verweerder] toegewezen. Volgens de kantonrechter kan uit de arbeidsovereenkomst niet zonder meer worden afgeleid dat op basis van een 45-urige werkweek zou worden afgerekend (rov. 8). Overigens achtte de kantonrechter de individuele arbeidsovereenkomst en die van de andere (parttime) werknemers van het bedrijf op zichzelf niet beslissend, nu de Wmm blijkens de geschiedenis van haar totstandkoming met zich brengt dat ook overeenkomstige arbeidsverhoudingen in de beschouwingen moeten worden betrokken (rov. 9-10). Aangezien op de arbeidsovereenkomst tussen partijen geen CAO van toepassing was (rov. 8, in fine), heeft de kantonrechter in dat verband mede acht geslagen op de CAO voor uitzendkrachten en de CAO voor beveiligingsorganisaties. Beide gaan van een gemiddelde werkweek van 40 uur uit (rov. 10). Ten slotte heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat de Arbeidstijdenwet, die beoogt de belangen van de werknemer te waarborgen, eveneens van een gemiddelde arbeidsduur van 40 uur per week uitgaat (rov. 11).
1.7 Heracles heeft van het vonnis van de kantonrechter hoger beroep ingesteld en het geschil in volle omvang aan de rechtbank voorgelegd.
1.8 De rechtbank heeft evenals de kantonrechter geoordeeld dat voor de toepassing van art. 12 lid 2 WmmPro van een normale arbeidsduur van 40 uur moet worden uitgegaan en het vonnis van de kantonrechter op dit punt bekrachtigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet zonder meer kan worden afgeleid dat op basis van een 45-urige werkweek zou worden afgerekend (rov. 4.2). Voorts heeft de rechtbank voor de toepassing van art. 12 lid 2 WmmPro de volgende uitgangspunten gekozen:
4.3. (...) Nu het er bij artikel 12 WMMPro om gaat het loon van in deeltijd werkende personen af te leiden van dat van iemand met een normale arbeidsduur (lees: een volledige dienstbetrekking), moet worden aangenomen dat deze door artikel 12, tweede lid, WMM vereiste overeenstemming tussen de te vergelijken arbeidsverhoudingen met name ziet op de aard van de te verrichten werkzaamheden. Indien aan de vereiste overeenstemming te strenge eisen zouden worden gesteld in die zin dat alleen dan van een vergelijking sprake zou kunnen zijn indien de werkzaamheden in vrijwel alle opzichten (geheel) met elkaar zouden overeenstemmen, zou het maken van de door artikel 12 voorgeschrevenPro vergelijking in veel gevallen niet mogelijk zijn. Aangenomen moet daarom worden dat voldoende is dat tussen de te vergelijken arbeidsverhoudingen een redelijke mate van overeenstemming ten aanzien van de te verrichten werkzaamheden bestaat."
De omstandigheid dat de parkeerwachters van Heracles alle in een parkeergarage voorkomende werkzaamheden verrichten (zoals schoonmaakwerk, het verstrekken van informatie aan klanten, het houden van toezicht en het verrichten van eenvoudige reparatiewerkzaamheden), terwijl deze werkzaamheden normaliter door verschillende, van afzonderlijke bedrijven afkomstige personen worden uitgevoerd, staat volgens de rechtbank niet aan een vergelijking van de arbeidsverhouding van de parkeerwachters van Heracles met die van personen die in de onderscheiden branches werkzaam zijn, in de weg. Er is in zoverre wel degelijk van "overeenkomstige arbeidsverhoudingen" sprake. Ook de omstandigheid dat Heracles (vrijwel) uitsluitend met deeltijdkrachten werkt en (vrijwel) geheel door studenten wordt gerund, staat volgens de rechtbank niet aan de bedoelde vergelijking in de weg. De door art. 12 WmmPro vereiste overeenstemming ziet immers met name op de aard van de te verrichten werkzaamheden en niet op de arbeidsduur (rov. 4.4). Om deze redenen heeft de rechtbank gemeend te kunnen aansluiten bij de destijds geldende CAO voor het schoonmaak- en glazenwassersbedrijf, de CAO particuliere beveiligingsorganisaties en de CAO voor uitzendkrachten, die alle van een fulltime dienstbetrekking van 40 uur per week uitgaan (rov. 4.5). Ten slotte heeft de rechtbank, evenals de kantonrechter, een argument ontleend aan art. 5:7 lid 1 ArbeidstijdenwetPro voor haar oordeel dat de normale arbeidsduur 40 uur per week beslaat (rov. 4.6).
1.9 Heracles heeft van het vonnis van de Rechtbank tijdig cassatieberoep ingesteld en haar standpunt schriftelijk toegelicht. [Verweerder] is in cassatie niet verschenen.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1
2.1 Onderdeel 1 van het cassatiemiddel is gericht tegen de toepassing die de rechtbank (in rov. 4.4-4.5) heeft gegeven aan de door haar in rov. 4.3 geformuleerde uitgangspunten om de "normale arbeidsduur" in de zin van art. 12 WmmPro te bepalen. In subonderdeel 1.1 van het middel klaagt Heracles erover dat de rechtbank daartoe aansluiting heeft gezocht bij de CAO in het schoonmaak- en glazenwassersbedrijf, alsmede bij de CAO particuliere beveiligingsorganisaties. In subonderdeel 1.2 van het middel werkt Heracles deze klacht nader uit. Heracles betoogt dat de rechtbank onvoldoende aandacht heeft besteed aan de vraag of de gecombineerde werkzaamheden die de medewerkers van Heracles in concreto verrichten, kunnen worden vergeleken met de werkzaamheden van schoonmaak- en/of beveiligingspersoneel. De werknemers van Heracles verrichten immers slechts zeer ten dele (licht) schoonmaakwerk en werkzaamheden die slechts in bepaalde opzichten met beveiligingswerkzaamheden vergelijkbaar zijn. De vergelijking met werknemers die intensief en doorlopend schoonmaak- of beveiligingswerkzaamheden verrichten, gaat volgens Heracles niet op, nu zulke werkzaamheden voor de parkeerwachters van Heracles slechts incidenteel en minder intensief zijn. In subonderdeel 1.3 voegt Heracles hieraan toe dat de aard van het totaal van de arbeidsverrichtingen in aanmerking moet worden genomen en dat aan de hand daarvan dient te worden bepaald welke arbeidsverhoudingen als overeenkomstig kunnen gelden. Het werk van de medewerkers van Heracles zou te vergelijken zijn met dat van een conciërge of beheerder. Subonderdeel 1.4 bevat ten slotte de klacht dat de rechtbank haar vonnis op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd.
2.2 In het oorspronkelijke ontwerp van Wet houdende regelen inzake een minimumloon en een minimumvakantiebijslag(3) luidde art. 13, tweede lid, als volgt:
"Onder normale arbeidsduur wordt verstaan de arbeidsduur, welke krachtens de publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst voor de werknemer geldt, of, bij gebreke daarvan, 45 uur per week dan wel 9 uur per dag."
Bij de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer is het amendement Van Lier(4) aangenomen. Dit amendement strekte ertoe art. 13, tweede lid, als volgt te lezen:
"Onder normale arbeidsduur wordt verstaan de arbeidsduur die in overeenkomstige arbeidsverhoudingen in de regel geacht wordt een volledige dienstbetrekking te vormen."
Het amendement wijzigde een eerder amendement(5), dat de navolgende tekst voorstelde:
"Onder normale arbeidsduur wordt verstaan de arbeidsduur die bij volledige dienstbetrekking voor de werknemer geldt."
Reden voor het oorspronkelijke amendement was dat het ontwerp er in feite toe dwong een verzoek tot de Minister te richten om voor arbeid waarvoor geen CAO of publiekrechtelijke regeling gold, een kortere arbeidsduur dan 45 uur per week dan wel 9 uur per dag als basis voor de minimumloonberekening te doen vaststellen.(6) Van Lier verwachtte niet dat dergelijke verzoeken zouden worden ingediend. Bovendien was de norm van 45 en 9 uur steeds meer aan verandering onderhevig.(7) Met het gewijzigde amendement werd tegemoetgekomen aan de moeilijkheden die de Minister aan het oorspronkelijke amendement verbonden zag.(8) Overigens lichtte Van Lier het gewijzigde amendement slechts toe met de opmerking dat "(i)n de nieuwe tekst (...) duidelijker (is) gesteld dat de maatstaf voor wat een volledige dienstbetrekking is niet alleen is wat in het individuele geval uit de arbeidsovereenkomst voortvloeit, maar dat ook een vergelijking nodig is met overeenkomstige arbeidsverhoudingen". (9) Over wat onder "overeenkomstige arbeidsverhoudingen" dient te worden verstaan, is tijdens de parlementaire behandeling verder niet gesproken. Alhoewel de Minister meende dat het beter zou zijn indien de werknemer meer rechtstreeks en meer welomlijnd zijn rechten uit de wet zou kunnen aflezen en de voorkeur had gegeven aan een amendement dat tot strekking had dat de werkweek bij algemene maatregel van bestuur zou kunnen worden teruggebracht, (10) werd het gewijzigde amendement aangenomen en bepaalde het de uiteindelijke tekst van art. 12 lid 2 WmmPro.(11)
2.3 Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid, dat, als een CAO geldt, deze althans in beginsel (en overeenkomstig het oorspronkelijke wetsontwerp) de normale arbeidsduur bepaalt. Het amendement Van Lier was immers niet gericht tegen de beslissende rol van een eventueel toepasselijke CAO, maar beoogde slechts een meer flexibele benadering van het begrip normale arbeidstijd in het geval dat geen CAO of publiekrechtelijke (loon)regeling zou gelden. Dat de op een dienstbetrekking toepasselijke CAO de normale arbeidsduur bepaalt, is in de loop der jaren overigens zowel van regeringszijde als door de SER onderschreven.(12)
2.4 Volgens art. 12 lid 2 WmmPro is de arbeidsduur bij een volledige dienstbetrekking de norm, ook in het geval dat géén CAO geldt. Het oorspronkelijke amendement Van Lier sprak van "de arbeidsduur die bij volledige dienstbetrekking voor de werknemer geldt", het gewijzigde amendement sprak van "de arbeidsduur die in overeenkomstige arbeidsverhoudingen in de regel geacht wordt een volledige dienstbetrekking te vormen". Met het gewijzigde amendement werd beoogd tegemoet te komen aan het bezwaar van regeringszijde dat het begrip "volledige dienstbetrekking" te vaag was om in een wettelijke regeling te worden geïntroduceerd. De verwijzing naar overeenkomstige arbeidsverhoudingen zou in dat verband de nodige aanknopingspunten moeten bieden. Volgens de bij de behandeling van het amendement gegeven toelichting zou de normale arbeidsduur niet slechts kunnen worden afgeleid uit wat in het individuele geval uit de arbeidsverhouding voortvloeit, maar zou ook een vergelijking met overeenkomstige arbeidsverhoudingen nodig zijn.
2.5 Naar ik meen sluit de op het gewijzigde amendement gegeven toelichting niet uit dat bij de vaststelling van de normale arbeidsduur ook overeenkomstige arbeidsverhoudingen met dezelfde werkgever worden betrokken. Voor de vaststelling van het proportionele deel van het minimumloon waarop de werknemer in deeltijd aanspraak kan maken, ligt het juist voor de hand in de eerste plaats aansluiting te zoeken bij overeenkomstige, maar in volledige dienstbetrekking vervulde functies bij dezelfde werkgever. Toch is het m.i. terecht dat de rechtbank de overige arbeidsverhoudingen met Heracles niet bepalend heeft geacht. In de functie van [verweerder] was immers niet één werknemer in volledige dienstbetrekking bij Heracles werkzaam.(13) De toepassing van art. 12 WmmPro kan m.i. niet afhankelijk zijn van de opvattingen van de werkgever over een slechts hypothetische normale arbeidsduur voor een bepaalde functie binnen zijn onderneming. Zulke opvattingen kunnen (in de woorden van art. 12 lid 2 WmmPro) in de regel niet geacht worden de normale arbeidsduur te bepalen.
2.6 In de feitelijke instanties heeft Heracles steeds benadrukt dat de werkzaamheden van haar werknemers dermate uniek zijn, dat een vergelijking met overeenkomstige arbeidsverhoudingen buiten haar onderneming niet wel mogelijk is. In cassatie wordt echter niet bestreden, dat de rechtbank slechts buiten de onderneming van Heracles naar vergelijkingspunten voor de toepassing van art. 12 lid 2 WmmPro heeft gezocht. In haar schriftelijke toelichting onder 3.3 lijkt Heracles vergelijkingen met andere arbeidsverhoudingen met dezelfde werkgever zelfs meer in het algemeen af te wijzen.
2.7 In verband met de uitleg van het begrip "overeenkomstige arbeidsverhoudingen" heeft de rechtbank in rov. 4.3 enkele uitgangspunten geformuleerd. Volgens de rechtbank moet met name worden gekeken naar de aard van de te verrichten werkzaamheden. Daarbij mogen aan de vereiste overeenstemming niet al te strenge eisen worden gesteld. Van overeenkomstige arbeidsverhoudingen zou sprake kunnen zijn zonder dat de betrokken werkzaamheden in vrijwel alle opzichten (geheel) met elkaar overeenstemmen. Volgens de rechtbank is het voldoende dat tussen de te vergelijken arbeidsverhoudingen een redelijke mate van overeenstemming ten aanzien van de te verrichten werkzaamheden bestaat. Naar mijn mening valt op deze uitgangspunten, die ook door Heracles worden onderschreven, in het licht van de wetsgeschiedenis weinig af te dingen.
2.8 De rechtbank heeft de door haar geformuleerde uitgangspunten aldus toegepast, dat zij een aantal aspecten van de functie van [verweerder] heeft onderscheiden en per aspect heeft onderzocht welke CAO relevant zou kunnen zijn en welke normale arbeidsduur uit de gevonden CAO voortvloeit. De normale arbeidsduur is in deze benadering de resultante van de voor de verschillende aspecten gevonden arbeidsduur, waarbij de rechtbank overigens mede (en in cassatie onomstreden) betekenis heeft toegekend aan art. 5:7 lid 1 ArbeidstijdenwetPro, welke bepaling van een gemiddelde werkweek van 40 uren uitgaat.
2.9 De door de rechtbank gevolgde benadering geeft m.i. niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk. Weliswaar is de gevolgde benadering theoretisch, in die zin dat zij "losse" aspecten van een functie en niet die aspecten in hun (unieke) combinatie in de vergelijking betrekt, maar daar staat tegenover dat de betrokken aspecten de normale arbeidsduur slechts tezamen bepalen. Bovendien laat de benadering van de rechtbank ruimte om de voor de functie meest kenmerkende aspecten bij het vaststellen van de normale arbeidsduur het zwaarst te laten wegen. De door de rechtbank gevolgde benadering lijkt mij niet a priori ongeschikt. Daaraan doet niet af, dat aan Heracles kan worden toegegeven dat een vergelijking tussen gehele functies met een nagenoeg gelijke combinatie van werkzaamheden, waar mogelijk, de voorkeur verdient.
2.10 Het eerste onderdeel faalt, voor zover het over een onjuiste rechtsopvatting van de rechtbank klaagt. De door de rechtbank gevolgde benadering is op zichzelf niet met enige rechtsregel in strijd. Er zou echter aanleiding voor een motiveringsklacht kunnen zijn, als de rechtbank meer voor de hand liggende aanknopingspunten voor de door art. 12 lid 2 WmmPro voorgeschreven vergelijking zonder goede grond zou hebben genegeerd. In cassatie heeft Heracles betoogd dat juist de combinatie van verschillende werkzaamheden het werken bij Heracles lichter en afwisselender zou maken dan het werken in functies waarin diezelfde werkzaamheden uitsluitend en continu worden beoefend, en dat de functie van [verweerder] met die van een beheerder of conciërge zou zijn te vergelijken. Heracles heeft een en ander in de feitelijke instanties echter niet aangevoerd, zodat de omstandigheid dat de rechtbank daaraan is voorbijgegaan, haar oordeel niet onbegrijpelijk maakt. Overigens is hier van een ontoelaatbaar feitelijk novum in cassatie sprake.
2.11 Op grond van het bovenstaande faalt onderdeel 1 van het cassatiemiddel.
Onderdeel 2
2.12 Onderdeel 2 van het cassatiemiddel is gericht tegen de vergelijking van de werkzaamheden van de parkeerwachters van Heracles met werkzaamheden van werknemers die vallen onder de uitzend-CAO. Wanneer het, zoals de rechtbank in rov. 4.3 overweegt, bij de vergelijking met name aankomt op de aard van de verschillende te vergelijken werkzaamheden, ligt volgens Heracles een vergelijking met de uitzendbranche niet voor de hand. Uitzendkrachten verrichten immers een groot aantal, onderling naar aard sterk wisselende werkzaamheden (subonderdeel 2.2). Voorts heeft Heracles in de feitelijke instanties aangevoerd dat zij het beheer van de parkeergarage volledig uit handen van de exploitant of eigenaar neemt en dat haar werknemers slechts aan haar verantwoording verschuldigd zijn. De overweging van de rechtbank dat Heracles haar personeel tijdelijk ter beschikking stelt om in het bedrijf van een derde werkzaam te zijn, zodat een vergelijking met de uitzend-CAO op zijn plaats is, acht Heracles dan ook onbegrijpelijk (subonderdeel 2.3).
2.13 Aangezien onderdeel 1 faalt, heeft Heracles bij onderdeel 2 geen belang. De vergelijking met de CAO in het schoonmaak- en glazenwassersbedrijf en de CAO particuliere beveiligingsorganisaties kan het oordeel van de rechtbank dat de normale arbeidsduur bij Heracles 40 uur bedraagt, m.i. zelfstandig dragen, nog daargelaten welke (ondersteunende) betekenis toekomt aan het door de rechtbank aan art. 5:7 lid 1 ArbeidstijdenwetPro ontleende argument.
2.14 Overigens staat, anders dan Heracles in subonderdeel 2.2 betoogt, het door de rechtbank gehanteerde uitgangspunt dat met name de aard van de te verrichten werkzaamheden in aanmerking moet worden genomen, niet aan een vergelijking met uitzendwerk in de weg. Juist de omstandigheid dat (zoals Heracles terecht heeft opgemerkt) uitzendarbeid een groot aantal (zij het niet noodzakelijkerwijs binnen dezelfde functie te verrichten) werkzaamheden kan omvatten, biedt aanknopingspunten voor een vergelijking met een functie als die van [verweerder], die door een diversiteit aan werkzaamheden wordt gekenmerkt.
2.15 De rechtbank heeft de werkzaamheden die vallen onder de uitzend-CAO in de vergelijking betrokken, omdat het werk bij Heracles daarmee in zoverre overeenstemt dat ook Heracles "haar personeel ter beschikking stelt om (tijdelijk) in het bedrijf van een derde werkzaam te zijn". Anders dan in subonderdeel 2.3 wordt aangenomen, bedoelt de rechtbank dat kennelijk heel letterlijk, in die zin, dat het personeel van Heracles in een door Heracles beheerd project van een derde te werk wordt gesteld (vgl. de formuleringen in de als prod. 1 bij de inleidende dagvaarding gevoegde arbeidsovereenkomst). Aldus beschouwd is de aangevochten rechtsoverweging geenszins onbegrijpelijk. Overigens is er geen enkele reden waarom het door de rechtbank bedoelde aspect geen rol zou mogen spelen bij de vaststelling van overeenkomstige arbeidsverhoudingen. Als tewerkstelling in het project van een derde de aard van de werkzaamheden al niet mede bepaalt, moet erop worden gewezen dat ook andere factoren dan de aard van de werkzaamheden bij de vaststelling van overeenkomstige arbeidsverhoudingen een rol kunnen spelen. In de opvatting van de rechtbank is dat kennelijk niet anders, waar de rechtbank als uitgangspunt huldigt dat met name de aard van de werkzaamheden in aanmerking moet worden genomen.
Onderdeel 3
2.16 In onderdeel 3 stelt Heracles dat de rechtbank zich in haar beoordeling niet had mogen beperken tot een vergelijking met verschillende CAO's, dan wel had moeten motiveren waarom een zo beperkte focus in deze zaak passend zou zijn. Volgens Heracles zullen CAO's, eerder dan de algemene norm is, een zekere beperking van de toegestane arbeidsduur omvatten.
2.17 De wetsgeschiedenis biedt geen steun aan de gedachte van Heracles, dat CAO's voor een normale arbeidsduur minder maatgevend zouden zijn. Op grond van de wetsgeschiedenis is er m.i. weinig twijfel over mogelijk dat, waar een CAO toepasselijk is, deze in beginsel de normale arbeidsduur bepaalt (zie ook 2.3). Bovendien lijkt het mij niet zonder betekenis, dat het criterium van een volledige dienstbetrekking in overeenkomstige arbeidsverhoudingen nu juist is geïntroduceerd om te voorkomen dat bij ontbreken van een CAO (en bij het in dat geval ook ontbreken van een voldoende krachtige positie van de werknemer of zijn organisatie om ministeriële vaststelling van een andere arbeidsduur te bewerkstelligen) als automatisme op een (lange) arbeidsduur van 45 uur per week dan wel 9 uur per dag zou worden teruggevallen (zie ook 2.2).
2.18 Voor zover Heracles betoogt dat in CAO's, eerder dan de algemene norm is, een zekere beperking van de toegestane arbeidsduur te vinden zal zijn, is overigens sprake van een ontoelaatbaar novum in cassatie. Tenslotte kan de rechtbank niet worden verweten haar onderzoek tot CAO's te hebben beperkt, waar Heracles zelf geen andere, niet door een CAO bestreken maar wel meer vergelijkbare arbeidsverhoudingen heeft aangereikt en het bestaan daarvan zelfs niet heeft gesteld.
2.19 Ook onderdeel 3 faalt.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij
de Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
1 Zie rov. 4.1 van het vonnis van de rechtbank van 16 februari 2000, waarin de rechtbank verwijst naar rov. 1 van het vonnis van de kantonrechter van 23 juni 1998.
2 Memorie van grieven, 4; memorie van antwoord, 5.
3 Tweede Kamer, zitting 1967-1968, 9574, nr. 2.
4 Tweede Kamer, zitting 1968-1969, 9574, nr. 26.
5 Tweede Kamer, zitting 1967-1968, 9574, nr. 15.
6 Vgl. art. 13 lid 3 vanPro het ontwerp (art. 12 lid 3 WmmPro), op grond waarvan de Minister overigens ook ambtshalve een andere arbeidsduur kan vaststellen.
7 Zie voor de toelichting op het oorspronkelijke amendement Handelingen Tweede Kamer, zitting 1967-1968, p. 2820, l.k., onderaan.
8 De Minister sprak van "een paar moeilijkheden (...), die kunnen ontstaan wanneer dit amendement wordt aangenomen"; Handelingen Tweede Kamer, zitting 1967-1968, p. 2868, l.k., bovenaan. In de memorie van antwoord was al het standpunt ingenomen dat het begrip "volledige dienstbetrekking" te vaag zou zijn om in een wettelijke voorziening te worden geïntroduceerd; Tweede Kamer, zitting 1967-1968, 9574, nr. 5, p. 5 l.k..
9 Zie voor de toelichting op het gewijzigde amendement Handelingen Tweede Kamer, zitting 1968-1969, p. 145-146.
10 Handelingen Tweede Kamer, zitting 1968-1969, p. 146.
11 Stbl. 1968, 657
12 J. van Drongelen en J.A. Hofsteenge, "De Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de "normale arbeidsduur", Arbeid Integraal 2000, p. 121-130, in het bijzonder p. 126. Uit het door Van Drongelen en Hofsteenge op p. 127 genoemde en in 1989 uitgevoerde onderzoek van de Dienst Collectieve Arbeidsvoorwaarden blijkt overigens, dat CAO's zich niet steeds met voldoende duidelijkheid over het begrip normale arbeidsduur uitlaten.
13 Zie memorie van grieven, 6 en 12, en memorie van antwoord, 5; zie ook schriftelijke toelichting, 1.7.