ECLI:NL:PHR:2002:AD9130

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/267HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep inzake ordemaatregel in familierechtelijke zaak

In deze zaak heeft de man cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van het hof waarin een ordemaatregel werd toegewezen op verzoek van de vrouw. Het cassatieberoep bestond uit drie onderdelen, waarin onder meer werd betoogd dat de ordemaatregel een onaanvaardbare inbreuk op de grondrechten van de man vormt, met name artikel 8 EVRM Pro.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof dit betoog heeft behandeld en terecht heeft verworpen op feitelijke gronden. Daarnaast faalt het beroep dat het hof het betoog niet afzonderlijk zou hebben behandeld, omdat de man niet heeft aangetoond dat hij daardoor is benadeeld.

Ten slotte wordt het argument dat de vrouw misbruik zou maken van haar verzoek tot de ordemaatregel verworpen. Het hof heeft op basis van de psychisch-sociale omstandigheden van de kinderen geoordeeld dat het belang van de kinderen de voorziening vereist en dat geen sprake is van misbruik.

De Hoge Raad concludeert dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden en verwerpt het beroep met toepassing van artikel 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ordemaatregel blijft in stand.

Conclusie

Rolnr. C00/267HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 25 jan. 2002
conclusie inzake
[De man]
tegen
[De vrouw]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig ingestelde cassatieberoep berust op een uit drie onderdelen opgebouwd middel.
2. Onderdeel 1 van het middel, dat erover klaagt dat het Hof geen aandacht heeft geschonken aan het in het kader van grief 3 ontwikkelde betoog van de man dat de door de vrouw gevraagde en door de President van de Rechtbank toegewezen voorziening een onaanvaardbare beknotting van de grondrechten van de man (met name art. 8 EVRM Pro) met zich meebrengt, faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het Hof heeft in r.o. 5.5 t/m 5.7 aan dat betoog aandacht besteed en, op de daar genoemde gronden, verworpen.
3. Onderdeel 2, dat hetHof verwijt het bedoelde betoog van de man niet afzonderlijk te hebben behandeld, doch gezamenlijk met grief 2, faalt wegens gebrek aan belang. Het onderdeel geeft niet aan in welk opzicht de man door de door het Hof gekozen aanpak van de behandeling van de grieven is benadeeld. Voor zover het onderdeel wil betogen dat het Hof door de gewraakte handelwijze het bedoelde betoog van de man onbehandeld heeft gelaten, mist het zelfstandige betekenis naast onderdeel 1.
4. Ook onderdeel 3 is tevergeefs voorgesteld. De klacht dat het Hof heeft miskend dat er mogelijk sprake is van misbruik door de vrouw van de mogelijkheid om de onderhavige ordemaatregel te vragen, mist feitelijke grondslag. Uit hetgeen het Hof heeft overwogen in r.o. 5.6 en 5.7 met betrekking tot de psychisch-sociale omstandigheden van de kinderen van partijen volgt dat naar 's Hofs oordeel het belang van de kinderen de gevraagde voorziening vergt. Daarin ligt besloten dat naar 's Hofs oordeel van misbruik door de vrouw geen sprake is.
Aangezien naar mijn oordeel de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, strekt de conclusie tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,