ECLI:NL:PHR:2002:AD9135

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/316HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:26 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitleg overeenkomst over voorwaardelijke verbintenis tot betaling afvalstort

In deze zaak stond de uitleg van een overeenkomst tussen [eiser] en Het Bastion B.V. centraal, waarbij het hof had geoordeeld dat Het Bastion niet gehouden was tot exploitatie van zandgroeven als stortplaats, maar wel een voorwaardelijke verbintenis tot betaling van 20 cent per ton gestort afval had. Het cassatieberoep betwistte deze uitleg als onbegrijpelijk en stelde dat het hof geen verplichtingen voor Het Bastion uit de overeenkomst had afgeleid.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof de overeenkomst begrijpelijk had uitgelegd en dat ook een voorwaardelijke verbintenis een geldige verbintenis is volgens art. 6:26 BW Pro. Het hof had terecht geoordeeld dat een onderzoek naar de exploitatiemogelijkheden van de zandgroeven niet impliceert dat Het Bastion tot exploitatie gehouden was. Het cassatieberoep faalde ook omdat het bewijsaanbod van [eiser] niet ter zake dienend was, aangezien het alleen betrekking had op de mogelijkheden van exploitatie en niet op de daadwerkelijke exploitatie.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO Pro, omdat de klachten geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het incidentele cassatieberoep werd niet behandeld omdat de voorwaarde voor bespreking niet was vervuld.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitleg van het hof wordt bevestigd.

Conclusie

Rolnr. C00/316HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 8 febr. 2002
conclusie inzake
[Eiser]
tegen
Het Bastion B.V.
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig ingestelde principale cassatieberoep berust op drie middelen.
2. Het eerste middel bestrijdt de door het Hof aan de overeenkomst van partijen gegeven uitleg als onbegrijpelijk.
3. Het middel faalt. In aanmerking genomen dat [eiser] Het Bastion attent heeft gemaakt op de zandgroeven, maar verder niet heeft geïnvesteerd in de mogelijke exploitatie daarvan als stortplaats, is 's Hofs uitleg van de overeenkomst dat Het Bastion jegens [eiser] niet gehouden was tot exploitatie niet onbegrijpelijk. De stelling dat in 's Hofs uitleg geen enkele verplichting voor Het Bastion uit de overeenkomst voortvloeit, mist feitelijke grondslag. In de uitleg van het Hof vloeit uit de overeenkomst voor Het Bastion een voorwaardelijke verbintenis voort tot betaling van 20 cent per ton gestort afval. Ook een voorwaardelijke verbintenis is een verbintenis (art. 6:26 BW Pro). Van een innerlijke tegenstrijdigheid in 's Hofs oordeel is geen sprake. Een onderzoek naar de vraag of in het kader van de exploitatie van de zandgroeven afval was gestort impliceert niet dat Het Bastion daartoe gehouden was. Dat onderzoek is van belang in verband met de voorwaardelijke verbintenis die voor Het Bastion in 's Hofs lezing uit de overeenkomst voortvloeide.
3. Het tweede middel stuit af op gebrek aan belang, nu de door dit middel bestreden overweging door het Hof klaarblijkelijk ten overvloede is gegeven.
4. Ook het derde middel is tevergeefs voorgesteld. Het door [eiser] bedoelde bewijsaanbod kon door het Hof als niet ter zake dienend worden gepasseerd, nu dat bewijsaanbod en het bedoelde rapport van Van Stockum slechts betrekking hebben op de vraag naar de mogelijkheden van exploitatie van de zandgroeven als stortplaats, doch niet op de vraag of exploitatie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Nu het Hof een gehoudenheid van Het Bastion tot exploitatie niet heeft aangenomen, is de vraag of exploitatie mogelijk was, niet relevant.
5. Aangezien de in het principale cassatieberoep voorgestelde middelen niet tot cassatie kunnen leiden, kom ik tot de conclusie dat dit beroep verworpen dient te worden. Waar de aangevoerde cassatieklachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, kan de verwerping plaatsvinden met toepassing van art. 81 RO Pro.
6. Als het principale beroep niet tot cassatie van de bestreden uitspraak kan leiden, is de voorwaarde waaronder het incidentele cassatieberoep (kennelijk) is ingesteld niet vervuld en behoeft dit beroep geen bespreking.
De conclusie strekt tot verwerping van het principale beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,