ECLI:NL:PHR:2002:AD9141

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R01/028HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 huwelijkse voorwaardenArt. 7 huwelijkse voorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verrekeningsmethode bij aflossingen tijdens huwelijk in huwelijksvoorwaarden

Partijen, voormalige echtgenoten gehuwd op huwelijkse voorwaarden met een Amsterdams verrekenbeding, zijn in geschil over de verrekening van tijdens het huwelijk gedane aflossingen op schulden van de man. De man had hypothecaire en persoonlijke leningen afgesloten voor de echtelijke woning, waarvan de aflossingen onderwerp van discussie zijn.

De rechtbank had een tussenbeschikking gegeven waarin een finale verrekening werd vastgesteld op basis van de activa minus passiva op een peildatum, waarbij aflossingen tijdens het huwelijk niet apart werden verrekend. Het hof bevestigde deze methode en oordeelde dat de op de peildatum aanwezige saldi in redelijkheid en billijkheid het saldo van alle overgespaarde bedragen over de gehele huwelijkse periode vertegenwoordigen.

De vrouw stelde cassatieberoep in tegen deze interpretatie, stellende dat partijen het weliswaar eens waren over de saldi, maar niet over de verrekening van de aflossingen. De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat de gehanteerde salderingsmethode rechtens toelaatbaar is en dat er geen reden is om aflossingen apart te verrekenen.

Hiermee is de finale verrekening op basis van de peildatum als rechtsgeldig bevestigd, waarmee het geschil over de aflossingen is beslecht.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat aflossingen tijdens het huwelijk niet apart in de verrekening hoeven te worden betrokken.

Conclusie

Rekest R01/028
mr. De Vries Lentsch-Kostense
Parket 25 januari 2002
Conclusie inzake
[De vrouw]
tegen
[De man]
Inleiding
1. Partijen, verder ook: de man en de vrouw, zijn gewezen echtgenoten. Zij zijn op 26 januari 1984 op huwelijkse voorwaarden gehuwd. Deze voorwaarden houden in een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen, een regeling met betrekking tot de kosten van de huishouding en van de belastingen en - kort gezegd - een Amsterdams verrekenbeding. Het huwelijk is op 13 januari 1998 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Partijen strijden over de afwikkeling van hun huwelijksgoederenregime. In cassatie gaat het nog uitsluitend om de verrekening van de aflossingen die staande huwelijk zijn gedaan op schulden van de man: het betreft de aflossing van f 42.338,60 op de hypothecaire lening die de man heeft gesloten ten behoeve van bouw van de echtelijke woning (die aan de man toebehoort doch waarvan de waardestijging ingevolge art. 6 lid Pro 1, tweede volzin, van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen moet worden verdeeld) en de aflossing van de persoonlijke lening van f 50.000,- die de man heeft gesloten ten behoeve van meerwerk en stoffering voor bedoelde woning. Het Hof heeft geoordeeld, althans zo begrijp ik 's Hofs beschikking, dat er in de door het Hof gehanteerde "salderingsmethode" geen reden is de tijdens het huwelijk gedane aflossingen nog eens in de verrekening te betrekken. Het door de vrouw ingestelde cassatiemiddel moet naar mijn oordeel falen.
2. De vrouw heeft bij inleidend verzoekschrift - kort gezegd - verzocht de man te veroordelen om tot verrekening over te gaan.
De Rechtbank heeft op 22 september 1999 een tussenbeschikking gewezen waarbij aan een deel van het gevorderde door een uitdrukkelijk dictum een einde werd gemaakt, zodat in zoverre sprake was van een eindbeschikking/deelbeschikking; de Rechtbank heeft op 15 december 2000 een eindbeschikking gewezen waarmee het geding in eerste aanleg werd beëindigd. De man heeft hoger beroep ingesteld van de deelbeschikking; de vrouw heeft op haar beurt voorwaardelijk (voorzover de man ontvankelijk was) incidenteel appèl ingesteld. Na het wijzen van de eindbeschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld van de eindbeschikking van 15 december 2000 en van de tussenbeschikking van 22 september 1999; haar eerste drie grieven zijn identiek aan de grieven ingesteld in het voorwaardelijk incidentele appèl. Het Hof heeft de beide beroepen tezamen behandeld.
3. In haar tussenbeschikking van 22 september 1999 heeft de Rechtbank met betrekking tot de verrekening van de door de man overgespaarde bedragen het volgende overwogen, nadat zij in een tussenbeschikking van 2 juni 1999 het beroep van de man op het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen vervalbeding had verworpen en aan partijen had verzocht opgave te doen van de bij hem/haar op 13 januari 1998 aanwezige activa en passiva. Tussen partijen staat vast, aldus de Rechtbank, dat op bedoelde datum een negental activa (bankrekeningen) aanwezig waren met een totaal saldo van f 92.915,48 dat tussen partijen verdeeld dient te worden en waarvan de vrouw reeds in handen heeft een saldo van f 46.457,74. Partijen strijden, aldus de Rechtbank, nog over de verrekening van de aflossing op de hypothecaire lening en de aflossing van de persoonlijke lening van de man. Omtrent die aflossing geldt, zo overwoog de Rechtbank:
"dat deze niet voor verrekening in aanmerking komen, alleen al omdat zij gelet op de door de rechtbank in de tussenbeschikking van 2 juni 1999 (weliswaar in die beschikking nog niet zo concreet en expliciet aangegeven maar wel voor ogen staande) verrekeningssystematiek niet relevant zijn. Uitgangspunt bij de vraag van de rechtbank aan ieder van partijen om de op een peildatum aanwezige activa en passiva op te geven is, dat een jaarlijkse verrekening achteraf van overgespaarde inkomsten van de man over het bijna 14 jaar geduurd hebbende huwelijk tussen partijen, zo niet ondoenlijk zou zijn, omdat daarvoor geen betrouwbare gegevens meer achterhaald kunnen worden, dan toch een buitenproportionele opgave voor partijen zou betekenen.
Vandaar dat de rechtbank een veertiental ondoenlijke jaarlijkse verrekeningen "oplost" in een finale verrekening van de activa minus de passiva op de door partijen overeengekomen peildatum van 10 december 1996. De op die peildatum aanwezige activa zijn naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het bovenstaande, in redelijkheid en billijkheid, aan te merken als het saldo van alle overgespaarde bedragen over de gehele huwelijkse periode, welke tussen partijen verrekend dienen te worden."
4. Het Hof verwierp de grief van de vrouw gericht tegen de overweging van de Rechtbank dat bij de vaststelling van hetgeen de man ten titel van verrekening verschuldigd is, geen acht moet worden geslagen op de tijdens het huwelijk gedane aflossing van f 42.338,60 op 's mans schuld uit de hypothecaire lening op de echtelijke woning en evenmin op de (volledige) aflossing van de persoonlijke lening ad f 50.000,- door de man gesloten ten behoeve van de financiering van meerwerk en stoffering van de echtelijke woning. Het Hof overwoog daartoe als volgt:
"5.6.6. Het hof is van oordeel, dat artikel 6 lid Pro 1, tweede volzin, zelfstandige betekenis heeft naast artikel 7 van Pro de huwelijkse voorwaarden. De vrouw heeft krachtens artikel 6 lid Pro 1, tweede volzin recht op de waardestijging van de woning, die gerealiseerd wordt vanaf de aankoop van de woning tot de datum van de echtscheidingsbeschikking, berekend op de in dat artikel beschreven wijze.
Geheel los daarvan staat, dat partijen het niet verteerde inkomen (en de daarmee gedane beleggingen) over en weer moeten verrekenen. Het hof gaat ervan uit, dat de per peildatum aanwezige saldi, die verrekend worden in het kader van artikel 7 van Pro de huwelijkse voorwaarden zijn verkregen door op de activa de op dat moment nog openstaande schulden in mindering te brengen. Met deze wijze van rekenen worden alle in het verleden gedane aflossingen meegenomen en is er geen reden om thans apart de tijdens het huwelijk gedane aflossingen nog eens in de verrekening te betrekken. (...)"
5. De vrouw heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. De man heeft een verweerschrift ingediend met conclusie tot verwerping van het beroep.
Het cassatiemiddel
6. Het middel komt op tegen de tweede alinea van 's Hofs hiervoor geciteerde rechtsoverweging 5.6.6. Geklaagd wordt dat het Hof met zijn gewraakte overweging blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn overweging onvoldoende heeft gemotiveerd, aangezien het feit dat partijen het erover eens zijn dat de door het Hof bedoelde saldi besparingen zijn die verrekend moeten worden, niet betekent dat partijen het tevens erover eens zijn dat er in het verleden geen besparingen zijn geweest door aflossingen. In dat verband wordt, onder verwijzing naar de desbetreffende passages in de gedingstukken, betoogd dat van de zijde van partijen juist expressis verbis tot uiting is gebracht dat partijen het weliswaar eens zijn met betrekking tot de saldi, doch dat zij daarnaast uitdrukkelijk van mening verschillen met betrekking tot de aflossing op de hypothecaire lening tijdens huwelijk en de aflossing van de persoonlijke lening van de man.
7. Anders dan het middel kennelijk veronderstelt, ligt in 's Hofs bestreden overweging niet het oordeel besloten dat partijen het erover eens zijn dat "er in het verleden geen besparingen zijn geweest door aflossingen". Kennelijk heeft het Hof in zijn gewraakte overweging het oordeel van de Rechtbank onderschreven dat een veertiental ondoenlijke jaarlijkse verrekeningen moeten worden opgelost in een finale verrekening van de activa minus de passiva op de door partijen overeengekomen peildatum (zij het dat het Hof - anders dan de Rechtbank - oordeelde dat het beginvermogen van partijen van het eindvermogen moet worden afgetrokken) en voorts dat gezien dat uitgangspunt de op de peildatum aanwezige activa in redelijkheid en billijkheid moeten worden aangemerkt als het saldo van alle, tussen partijen te verrekenen, overgespaarde bedragen over de gehele huwelijkse periode. In dit verband verdient aantekening dat het Hof in rechtsoverweging 5.7 spreekt van "de salderingsmethode zoals omschreven onder 5.6.6".
De in het middel vervatte klacht stuit op het voorgaande reeds af. Overigens heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel dat in een geval als het onderhavige de op de peildatum aanwezige activa in redelijkheid en billijkheid moeten worden aangemerkt als het saldo van alle, tussen partijen te verrekenen, overgespaarde bedragen over de gehele huwelijkse periode. 's Hofs oordeel is evenmin onbegrijpelijk.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden