ECLI:NL:PHR:2002:AD9142

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R01/068HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:254 BWArt. 426a RvArt. 32 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt wijziging eenhoofdig ouderlijk gezag ondanks beschuldigingen seksueel misbruik

In deze zaak staat de wijziging van het ouderlijk gezag over een minderjarig kind centraal, waarbij de vader het eenhoofdig gezag kreeg toegewezen. Partijen waren nooit gehuwd en hadden tot 1995 samengewoond. Na het uiteengaan ontstond een omgangsregeling, maar de moeder weigerde medewerking en deed beschuldigingen van incestueuze handelingen jegens de vader. Een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming vond plaats, waarna het gezag werd gewijzigd.

De moeder stelde cassatieberoep in tegen de beschikking die het gezag aan de vader toekende en tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar wrakingsverzoek. Zij klaagde onder meer dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd en onvoldoende aandacht had besteed aan haar beschuldigingen van seksueel misbruik en haar bezwaren tegen het behandelplan.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de moeder ongegrond zijn. De rechtbank had de beschuldigingen niet genegeerd en een nieuw onderzoek was niet nodig omdat dat de belangen van het kind zou schaden. De omgangsregeling met de vader was niet onderwerp van de procedure en de rechtbank hoefde de opvoedkundige kwaliteiten van de vader niet nader te specificeren. Het oordeel van de rechtbank was gebaseerd op deskundigenrapporten en was begrijpelijk.

De Hoge Raad verklaarde het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk en verwierp het cassatieberoep. De beschikking die het eenhoofdig gezag aan de vader toekent, blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en het eenhoofdig ouderlijk gezag blijft bij de vader.

Conclusie

Rekest nr. R01/068
Mr. J. K. Moltmaker
Ouderlijk gezag
Parket, 25 januari 2002
Conclusie inzake
[De moeder]
tegen
[De vader]
Edelhoogachtbaar college,
1 Feiten en procesgang
1.1 In deze zaak gaat het om wijziging van het ouderlijk gezag over [het kind], geboren op 23 juni 1990, kind van partijen in cassatie. De rechtbank beschrijft de feiten in haar in cassatie bestreden beschikking van 5 april 2001 als volgt:
"4. De feiten
Partijen zijn nimmer gehuwd geweest doch hebben samengewoond tot 1995. De man [verweerder in cassatie, M.] heeft toen de gemeenschappelijk bewoonde woning verlaten en gelaten aan de vrouw [verzoekster tot cassatie, M.] en [het] minderjarige [[kind], M.]. Ter gelegenheid van het uiteengaan van partijen is een omgangsregeling vastgesteld tussen de man en de minderjarige van een weekend per 14 dagen en twee dagen per week.
In januari 1997 heeft de man zich tot de rechtbank gewend met het verzoek om een omgangsregeling toen de vrouw inmiddels elke medewerking daartoe had opgezegd. De rechtbank heeft op 16 april 1997 een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige vastgesteld maar tevens een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming gelast vanwege de beschuldigingen van de vrouw aan het adres van de man van incestueuze handelingen met de minderjarige.
In de zich nadien ontsponnen rechtsprocedures tussen partijen bij de Arrondissementsrechtbank en het Gerechtshof is steeds een omgangsregeling tussen de minderjarige en de man gehandhaafd. De strijd tussen partijen heeft vervolgens op 18 december 1997 tot een ondertoezichtstelling en nadien op 25 november 1999 tot een uithuisplaatsing geleid welke maatregelen tot op heden steeds zijn verlengd. De vrouw heeft hiertegen telkenmale beroep ingesteld en de omgang tussen de man en de minderjarige geweigerd.
In de bestreden beschikking van 16 oktober 2000 heeft de kantonrechter het op 14 mei 1998 ingediende verzoek van de man om te komen tot wijziging van het gezag toegewezen en de man belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige."
1.2 [Het kind] verblijft in de residentiële instelling Troje te Veldhoven. De Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant (de Stichting) is belast met het toezicht over [het kind] als bedoeld in art. 1:254, eerste lid BW.
1.3 Na de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verzoekster tot cassatie (de moeder) een verzoek tot wraking van mr. F. A. van der Reijt ingediend. De moeder is in haar verzoek niet-ontvankelijk verklaard bij beschikking van 16 maart 2001 omdat zij haar verzoek zonder bijstand van een procureur had ingediend.
1.4 Bij de in de aanhef van punt 1.1 genoemde beschikking heeft de rechtbank de beschikking van de kantonrechter te Eindhoven van 16 oktober 2000 bekrachtigd. Zij heeft daartoe kort gezegd overwogen dat de ontwikkeling van [het kind] sinds de gezagswijziging vooruit is gegaan en dat [het kind] daar wel bij vaart (rov. 6, 5e alinea). De moeder heeft heel gedecideerd haar medewerking aan het door de Stichting opgestelde behandelplan verzet (rov. 6, 6e alinea).Uit de processtukken is niet gebleken dat de verweerder in cassatie (de vader) over onvoldoende opvoedkundige kwaliteiten beschikt. Anders dan de moeder heeft hij zijn volledige medewerking aan de behandeling van [het kind] heeft toegezegd en staat open voor contact met de moeder (rov. 6, voorlaatste alinea).
1.5 De moeder heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikkingen van de rechtbank van 16 maart en 5 april 2001. De vader heeft geen verweerschrift ingediend.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
2.1 Cassatiemiddel I
2.1.1 Dit middel is gericht tegen de beschikking van 16 maart 2001 waarbij de moeder niet-ontvankelijk werd verklaard in haar verzoek tot wraking van mr. F. A. van der Reijt.
2.1.2 Nu ingevolge art. 32, vijfde lid, Rv. tegen een beslissing op een verzoek tot wraking geen rechtsmiddel openstaat, en de klachten in cassatie niet strekken tot doorbreking van dit rechtsmiddelenverbod, kan de moeder in deze klacht niet worden ontvangen.
2.2 Cassatiemiddel II
2.2.1 Onderdeel A
2.2.1.1 Cassatiemiddel II is verdeeld in drie onderdelen die alle motiveringsklachten bevatten, gericht tegen de beschikking van 5 april 2001. Onderdeel A klaagt dat de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan is aan de door de moeder geuite beschuldigingen van seksueel misbruik van [het kind] door de vader.
2.2.1.2 De klacht faalt. Uit rov. 6 van de bestreden beschikking blijkt dat de rechtbank niet voorbij gegaan is aan de beschuldigingen van de moeder. Dat de rechtbank geen oordeel heeft gegeven over deze beschuldigingen van de moeder maakt haar beschikking niet onbegrijpelijk.
Voor zover de klacht is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van het verzoek van de moeder om te dier zake een onderzoek te doen instellen, faalt zij evenzeer. Een dergelijk onderzoek heeft al plaatsgehad (zie rov. 4 van de eindbeschikking van de rechtbank, aangehaald in nr. 1.1 van deze conclusie) en het oordeel van de rechtbank dat een nieuw onderzoek de belangen van [het kind], die nu juist progressie doormaakt, zou schaden, acht ik geenszins onbegrijpelijk.
Voor zover de klacht is gericht tegen de bestaande omgangsregeling tussen de vader en [het kind] (laatste drie volzinnen van onderdeel A), faalt de klacht omdat die omgangsregeling in de onderhavige procedure niet aan de orde is. Voor wat de omgang met de moeder betreft heeft de rechtbank overwogen dat de vader open staat voor contact met de moeder.
2.2.2 Onderdeel B
Onderdeel B klaagt dat de moeder goede redenen had om haar medewerking aan het behandelplan te weigeren en dat het door de Stichting opgestelde behandelplan had moeten worden aangepast aan de wensen van de moeder. De rechtbank was naar het mij voorkomt niet verplicht om gedetailleerd in te gaan op de merites van het behandelplan. Zij kon volstaan met de feitelijke constatering, dat de moeder op een heel gedecideerde wijze haar medewerking aan dat plan had ontzegd. Het middelonderdeel faalt derhalve.
2.2.3 Onderdeel C
2.2.2.1 Het laatste onderdeel bevat de klacht dat de rechtbank had moeten specificeren wat de opvoedkundige kwaliteiten van de vader zijn en die kwaliteiten aan "een criterium" had moeten toetsen.
2.2.2.2 Ook deze klacht faalt. Op de rechtbank rustte niet een zodanig vergaande motiveringsplicht dat zij de kwaliteiten van de vader had moeten benoemen. De beslissing van de rechtbank is begrijpelijk ook zonder een uiteenzetting van de opvoedkundige kwaliteiten van de vader.
Wat betreft de laatste klacht, maakt het middel niet duidelijk aan welk criterium de pedagogische kwaliteiten van de vader zouden moeten worden getoetst, zodat de klacht in zoverre niet voldoet aan de vereisten van art. 426a, tweede lid Rv. Voor het overige is het oordeel van de rechtbank over de pedagogische kwaliteiten gebaseerd op de in rov. 2 van de bestreden beschikking genoemde verslagen, evaluaties en deskundigenrapporten. De wijze waarop de rechtbank die deskundigenberichten heeft gewaardeerd kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Het oordeel van de rechtbank doorstaat die toets zonder moeite.
3 Conclusie
Voor wat betreft cassatiemiddel I concludeer ik tot niet-ontvankelijk verklaring van de moeder en voor wat betreft cassatiemiddel II, dat ik in al zijn onderdelen ongegrond acht, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden