ECLI:NL:PHR:2002:AD9142
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt wijziging eenhoofdig ouderlijk gezag ondanks beschuldigingen seksueel misbruik
In deze zaak staat de wijziging van het ouderlijk gezag over een minderjarig kind centraal, waarbij de vader het eenhoofdig gezag kreeg toegewezen. Partijen waren nooit gehuwd en hadden tot 1995 samengewoond. Na het uiteengaan ontstond een omgangsregeling, maar de moeder weigerde medewerking en deed beschuldigingen van incestueuze handelingen jegens de vader. Een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming vond plaats, waarna het gezag werd gewijzigd.
De moeder stelde cassatieberoep in tegen de beschikking die het gezag aan de vader toekende en tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar wrakingsverzoek. Zij klaagde onder meer dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd en onvoldoende aandacht had besteed aan haar beschuldigingen van seksueel misbruik en haar bezwaren tegen het behandelplan.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de moeder ongegrond zijn. De rechtbank had de beschuldigingen niet genegeerd en een nieuw onderzoek was niet nodig omdat dat de belangen van het kind zou schaden. De omgangsregeling met de vader was niet onderwerp van de procedure en de rechtbank hoefde de opvoedkundige kwaliteiten van de vader niet nader te specificeren. Het oordeel van de rechtbank was gebaseerd op deskundigenrapporten en was begrijpelijk.
De Hoge Raad verklaarde het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk en verwierp het cassatieberoep. De beschikking die het eenhoofdig gezag aan de vader toekent, blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en het eenhoofdig ouderlijk gezag blijft bij de vader.