1 Grotendeels ontleend aan het vonnis van de rechtbank van 16 april 1997 en voorts aan het arrest van het hof van 3 februari 2000, rov. 3.
2 Rechtbank noch hof heeft vastgesteld van wie deze toevoegingen afkomstig waren en wanneer de brief door wie is ondertekend, maar het vorenstaande volgt uit de bij de rechtbank afgelegde getuigenverklaringen en staat tussen partijen vast. Zie hiertoe de getuigenverklaringen van Kievit (Jutphaas), nrs. 5-10; [betrokkene A], nr. 13; [betrokkene C] (Jutphaas), nr. 14 [betrokkene B], nr. 12 en [eiser], nr. 9, deels weergegeven in het vonnis van 18 november 1998 van de rechtbank Utrecht (rov. 8.2). Zie tevens: inleidende dagvaarding, nr. 7; CvA, nr. 1; CvR, nr. 23, nr. 48 (blz. 45-46); CvD, nr. 12.
3 CvR, nr. 47.
4 CvR, nr. 32.
5 CvA, nr. 18.
6 CvA, nr. 19, CvD, nr. 8.
7 Jutphaas heeft voorts haar eis aangevuld met een vordering tot vernietiging op grond van (wederzijdse) dwaling van de op 25 oktober tot stand gekomen overeenkomst. Partijen zouden zijn uitgegaan van de achteraf onjuist gebleken veronderstelling dat de transactie ook zonder de instemming van de Sperwergroep mogelijk was (MvG, nr. 35 en 46). Bij pleidooi heeft zij deze "vermeerdering van eis" weer ingetrokken, op de grond dat zij in eerste aanleg geen reconventionele vordering had ingesteld (pleitnota, nr. 2).
8 De cassatiedagvaarding dateert van 2 mei 2000.
9 Vaste rechtspraak, vgl. HR 4 mei 1984, NJ 1985, 22; HR 10 juni 1988, NJ 1989, 30 (JBMV); HR 24 mei 1984, NJ 1985, 22 (PAS); HR 11 juni 1999, NJ 1999, 625; HR 2 februari 2001, NJ 2001, 233; mijn eigen artikel in WPNR 59151 (1990), blz. 145-150; Snijders/Wendels, Civiel appel (1999), nr. 241-251 en Ras/Hammerstein, 2001, nrs. 41 en 76.
10 De mogelijkheid bestaat zelfs dat één of meer van die stellingen of weren tot dezelfde beslissing moet leiden als de eerste rechter heeft bereikt, zij het dat deze een daartoe door de appelrechter als onjuist beoordeeld argument heeft gebruikt. In dat geval heeft appellant geen belang bij de desbetreffende grief (en kan de appelrechter deze dus ook buiten behandeling laten).
11 HR 21 december 1990, NJ 1991, 233; HR 22 november 1991, NJ 1992, 135 en 192; HR 6 november 1998, NJ 1999, 116. Aanvankelijk gold in dit opzicht de voorwaarde ("mits"...) dat die stellingen en weren ook in hoger beroep moesten zijn gehandhaafd. Sinds HR 22 november 1991, NJ 1992, 192 is de formulering omgekeerd en wordt dit handhaven in beginsel verondersteld Zie hierover de noot van Ras onder HR 13 oktober 1995, NJ 1996, 430.
12 MvA, blz. 5, onderaan.
13 Evenzo het Duitse recht, dat als hoofdregel eveneens de objectiefrechtelijke leer kent: Baumgärtel/Laumen, Handbuch der Beweislast im Privatrecht, Bd. 1, Köln/Berlin/Bonn/München (Carl Heymans Verl.) 1991, §158, nr. 1, met verdere verwijzingen naar literatuur en rechtspraak. Voor de bewijslast ter zake van de vervulling van een ontbindende voorwaarde, zie HR 21 oktober 1988, NJ 1989, 80.
In het anders liggende geval dat één van de partijen stelt dat een contractsbepaling later aan een reeds ondertekende onderhandse akte is toegevoegd werd beslist in HR 21 april 1995, NJ 1996, 652 en HR 15 januari 1993, NJ 1993, 179, dat dan in beginsel dat de bewijslast rust op degene die de echtheid betwist, hoewel de rechter op grond van de ten processe vaststaande feiten anders kan oordelen.