ECLI:NL:PHR:2002:AD9332
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vonnis over kennelijk onredelijk ontslag bij bedrijfsbeëindiging en overgang onderneming
Eiser, een magazijnbediende, was sinds 1973 in dienst bij verweerder, een groothandel in rookartikelen. Verweerder beëindigde zijn bedrijf wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en zegde de arbeidsovereenkomst op. Na ziekte van eiser en het verkrijgen van een ontslagvergunning, werd het dienstverband formeel beëindigd in september 1997. Eiser vorderde bij de kantonrechter dat het ontslag kennelijk onredelijk was en vroeg schadevergoeding.
De kantonrechter oordeelde dat bij overgang van onderneming het dienstverband van rechtswege eindigde, waardoor een vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag niet mogelijk was. In hoger beroep wijzigde eiser zijn grondslag en stelde dat geen overgang van onderneming had plaatsgevonden. De rechtbank oordeelde dat eiser gerechtvaardigd mocht vertrouwen op voortzetting van het dienstverband tot september 1997 en dat het ontslag zonder afvloeiingsregeling kennelijk onredelijk was, tenzij verweerder kon aantonen dat zo'n regeling financieel niet mogelijk was.
De Hoge Raad stelt vast dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd hoe zij de door verweerder genoemde omstandigheden heeft meegewogen in haar oordeel over kennelijke onredelijkheid. De Hoge Raad vernietigt het tussenvonnis en wijst de zaak terug voor nader onderzoek en beoordeling, inclusief een comparitie over de financiële mogelijkheden van verweerder om een afvloeiingsregeling te treffen.
Uitkomst: Vonnis van de rechtbank vernietigd wegens onvoldoende motivering; zaak terugverwezen voor nader onderzoek en beoordeling.