ECLI:NL:PHR:2002:AD9342

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/333HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 221 Rv (oud)Art. 194 lid 1 RvWet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewijswaardering en afwijzing deskundigenonderzoek in geschil over verdeling huwelijksgoederengemeenschap

De zaak betreft een geschil tussen ex-echtgenoten over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De vrouw betwist de echtheid van een handtekening onder een verdelingsverklaring van 7 september 1988 en stelt dat er geen bijeenkomst heeft plaatsgevonden waarin de gemeenschap is verdeeld. De man stelt dat de gemeenschap wel is verdeeld op die datum en overlegt een kopie van een verklaring die door de vrouw zou zijn ondertekend.

De rechtbank heeft de vordering van de vrouw afgewezen omdat de boedel al verdeeld zou zijn. Het hof stelde een deskundigenonderzoek naar de echtheid van de handtekening in het vooruitzicht, maar de man kon het origineel van de verklaring en het rapport van het handschriftonderzoek niet overleggen omdat hij deze kwijt was geraakt. Het hof wees daarop het verzoek tot benoeming van een deskundige af en oordeelde dat de gemeenschap nog niet is verdeeld.

De man kwam in cassatie tegen dit oordeel, stellende dat het hof het verzoek tot deskundigenonderzoek onterecht had afgewezen en dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat de gemeenschap niet was verdeeld. De Hoge Raad oordeelt dat het hof een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de bewijswaardering en dat het afwijzen van het verzoek tot deskundigenonderzoek niet onredelijk is, mede omdat de man zelf de originele stukken kwijt is geraakt en daardoor in een onmogelijke bewijspositie is gekomen.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof. De zaak toont het belang van het zorgvuldig bewaren van bewijsstukken en de ruime beoordelingsvrijheid van de feitenrechter bij bewijswaardering.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.

Conclusie

Rolnr. C00/333
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 25 januari 2002
Conclusie inzake:
[De man]
tegen
[De vrouw]
1. Feiten(1) en procesverloop
1.1 Eiser tot cassatie, de man, en verweerster in cassatie, de vrouw, zijn op 26 mei 1967 met elkaar gehuwd te [...]. Dit huwelijk is ontbonden door inschrijving op 18 april 1990 van het vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 11 december 1989, waarbij de echtscheiding is uitgesproken, in de registers van de burgerlijke stand.
1.2 Bij inleidende dagvaarding van 11 juni 1993 heeft de vrouw gevorderd dat de rechtbank de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap gelast waarbij de man alle opgesomde vermogensbestanddelen krijgt toegescheiden en de vrouw wegens overbedeling van de man een overbedelingsuitkering van ƒ 100.000,-- krijgt toegescheiden. Subsidiair heeft zij gevorderd dat de rechtbank zelf een verdeling vaststelt.
1.3 De man heeft de vordering weersproken en gesteld dat de gemeenschap door onderlinge afspraken reeds is gescheiden en gedeeld. Hij heeft daartoe gesteld dat, nadat de vrouw de echtelijke woning had verlaten, op 7 september 1988 een bijeenkomst heeft plaatsgevonden in de woning te [woonplaats] waar de vrouw verbleef. Tijdens die bijeenkomst is volgens de man afgesproken dat de vrouw, die ƒ 80.000,-- in contanten uit de echtelijke woning had meegenomen, daartegenover geen enkele aanspraak zou maken op de woonark te [...], roerende goederen en bank- of girotegoeden. Als productie heeft de man een kopie van een - naar de man stelt - door de vrouw op die datum ondertekende verklaring overgelegd, waarin deze afspraken zijn vastgelegd.
1.4 Tijdens de comparitie van partijen op 18 januari 1994 heeft de vrouw, geconfronteerd met het origineel van deze verklaring, verklaard dat zij dat originele stuk nooit eerder heeft gezien en dat de handtekening niet van haar is, ofschoon deze er wel op lijkt. Bij conclusie van repliek heeft de vrouw vervolgens weersproken dat op 7 september 1988 een bespreking als waarover de man spreekt, heeft plaatsgevonden. Voorts heeft zij gesteld dat zij slechts een bedrag van ƒ 8.000,-- uit de woning heeft meegenomen en dat de door de man in het geding gebrachte verklaring vals is.
1.5 Na voortgezet debat heeft de rechtbank bij vonnis van 3 augustus 1994 de man toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat uiteindelijk op 7 september 1988 de gemeenschap is verdeeld.
1.6 De rechtbank heeft bij vonnis van 20 september 1995 geoordeeld dat de boedel al is verdeeld en op die grond de vordering afgewezen.
1.7 Van dit vonnis is de vrouw in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Zij heeft bij memorie van grieven onder meer geklaagd dat de rechtbank ten onrechte geen handschriftdeskundige heeft ingeschakeld. Volgens de vrouw bestaat gerede twijfel omtrent de echtheid van de handtekening onder de verdelingsverklaring. Dit geldt eens te meer, nu de man niet bereid is gebleken de originele verklaring van 7 september 1988 aan de vrouw ter beschikking te stellen, zodat de vrouw een eigen handschriftonderzoek kan laten verrichten. De vrouw heeft er voorts op gewezen dat de man een handschriftonderzoek heeft laten verrichten, maar het rapport nimmer heeft overgelegd.
De vrouw heeft aangeboden te bewijzen dat de verklaring van 7 september 1988 niet door haar is ondertekend, dat er op die datum geen bijeenkomst heeft plaatsgevonden te [woonplaats] en dat de huwelijksgemeenschap nog niet is verdeeld.
1.8 De man heeft bij memorie van antwoord betoogd dat inschakeling van een handschriftdeskundige niet meer nodig is nu de rechtbank terecht uit de getuigeverklaringen heeft afgeleid dat de gemeenschap is verdeeld en met name uit het feit dat de vrouw een bedrag van ƒ 80.000,-- uit de boedel heeft ontvangen.
1.9 Het hof heeft bij arrest van 27 maart 1998, alvorens de vrouw tot het door haar aangeboden bewijs toe te laten, een deskundigenonderzoek naar de echtheid van de verklaring en de daaronder geplaatste handtekening in het vooruitzicht gesteld (rov. 5). Voorts heeft het hof de man gelast het origineel van de betwiste verklaring aan de te benoemen deskundige(n) ter hand te stellen alsmede de man in overweging gegeven het resultaat of het rapport van het handschriftonderzoek dat op zijn initiatief heeft plaatsgevonden in het geding te brengen (rov. 6).
1.10 De man heeft vervolgens bij akte gesteld dat hij het origineel van de betwiste verklaring alsmede het rapport van het handschriftonderzoek is kwijtgeraakt en dat een benoeming van een deskundige derhalve weinig zinvol is.
1.11 Bij arrest van 26 februari 1999 heeft het hof overwogen dat het op de weg van de man ligt de echtheid van de handtekening onder deze verklaring te bewijzen, nu hij het deskundigenonderzoek onmogelijk heeft gemaakt. Het hof heeft de zaak vervolgens bij arrest van 12 maart 1999 naar de rol verwezen om de man bij akte in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het te leveren bewijs, als hij eerst getuigenbewijs wil leveren, danwel bewijs door geschriften te leveren.
1.12 De man heeft daarop bij akte uiteengezet dat het hof hem in een onmogelijke bewijspositie heeft geplaatst, nu de originele verklaring is zoekgeraakt en de vrouw reeds 12 jaar geleden haar handtekening heeft geplaatst waardoor het leveren van getuigenbewijs geen reële optie is. Volgens de man brengen de redelijkheid en de billijkheid mee dat hij moet worden toegelaten te bewijzen dat de handtekening onder de overgelegde kopie van de verklaring geplaatst is door de vrouw. Hij heeft ten slotte het hof verzocht daartoe een deskundige te benoemen.
1.13 Het hof heeft bij arrest van 25 oktober 2000 het verzoek van de man afgewezen en geoordeeld dat de man er niet in is geslaagd te bewijzen dat de handtekening op de originele verklaring door de vrouw is geplaatst (rov. 5). Voorts heeft het hof geoordeeld dat de gemeenschap tussen partijen nog niet is verdeeld (rov. 7). Het hof heeft vervolgens een inlichtingencomparitie gelast.
1.14 De man is van dit arrest tijdig(2) in cassatie gekomen. De vrouw heeft tot verwerping geconcludeerd. De man heeft het middel schriftelijk doen toelichten.
2. Bespreking van de middelen
2.1 De man voert tegen het arrest van het hof twee middelen aan.
Middel I richt een motiveringsklacht tegen rechtsoverweging 4 van het bestreden arrest, waarin het hof, na in rechtsoverweging 3 te hebben overwogen dat de man heeft verzocht om op grond van de redelijkheid en de billijkheid alsnog een deskundige te benoemen, het volgende heeft overwogen.
"Het hof wijst dit verzoek af. De redelijkheid en de billijkheid brengen in het onderhavige geval niet mee dat op dit verzoek positief beslist moet worden. De man heeft immers nagelaten een afschrift van het rapport van het handschriftonderzoek, dat - zoals blijkt uit de getuigenverklaring van de man in eerste aanleg - was gebaseerd op de originele verklaring [over te leggen, W-vG](3). Bovendien is de man - zo blijkt uit zijn akte van 27 augustus 1998 - door eigen toedoen hangende deze procedure twee belangrijke stukken, te weten de originele betwiste verklaring en het rapport van het handschriftonderzoek, kwijtgeraakt en heeft hij eerder in deze procedure geconcludeerd dat benoeming van een deskundige weinig zinvol is, omdat hij de originele verklaring kwijt is. De omstandigheid dat hij thans naar zijn zeggen in een onmogelijke bewijspositie is terechtgekomen heeft de man naar het oordeel van het hof aan zich zelf te wijten en hij draagt daar het risico van."
Het middel verwijt het hof aldus het verzoek van de man onvoldoende met redenen omkleed te hebben afgewezen(4).
2.2 Het middel faalt. Volgens het hier toepasselijke art. 221 Rv Pro. (oud) kan de rechter op verzoek van één der partijen of ambtshalve een verhoor van deskundigen bevelen. Of van die mogelijkheid gebruik wordt gemaakt is geheel aan het oordeel van de feitelijke rechter overgelaten(5).
Overigens is de regeling van art. 221 Rv Pro. (oud) in het per 1 januari 2002 ingevoerde Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering inhoudelijk ongewijzigd gebleven(6); ook het nieuwe art. 194 lid 1 Rv Pro. bepaalt dat de rechter een bericht of verhoor van deskundigen kan bevelen.
2.3 Middel II klaagt allereerst dat rechtsoverweging 6, waarin het hof overweegt dat alleen de man een verklaring met betrekking tot de bijeenkomst van 7 september 1988 heeft afgelegd, onvoldoende is gemotiveerd. Volgens het middel hebben ook de zoon van partijen en de getuige [betrokkene B] verklaard dat een bespreking ten huize van de vrouw heeft plaatsgevonden en dat de vrouw een handtekening onder een verklaring heeft geplaatst.
2.4 Bij de bespreking van de klacht wordt voorop gesteld dat de waardering van bewijs, zoals onder meer getuigenverklaringen, is voorbehouden aan de feitenrechter(7). De bestreden overweging is niet onbegrijpelijk. Uit de verklaring van de zoon van partijen en de getuige [betrokkene B], opgenomen in het proces-verbaal van het getuigenverhoor gehouden op 29 september 1994, blijkt niets van een bespreking op 7 september 1988 in de woning van de vrouw op het adres [a-straat 1] te [woonplaats].
De zoon verklaart immers dat hij een keer in de [a-weg] is geweest en de getuige [betrokkene B] heeft verklaard dat zij een keer vele jaren geleden op een avond op een of ander adres in [woonplaats] is geweest, de woning van de moeder van haar (toenmalige) vriend. Voorts heeft zij verklaard dat het best kan zijn dat die bijeenkomst op 7 september is geweest, maar dat zij dat niet meer weet.
2.5 Voor het overige richt het middel zich tegen waarderingen van feitelijke aard, die geenszins onbegrijpelijk zijn.
Ook middel II faalt derhalve.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Rechtbank noch hof hebben de feiten vastgesteld.
2 De cassatiedagvaarding is op 20 november 2000 uitgebracht.
3 De man heeft de weggevallen woorden blijkens zijn weergave van deze rechtsoverweging in de cassatiedagvaarding op blz. 3 eveneens aldus begrepen.
4 In de schriftelijke toelichting wordt onder 12.1 t/m 12.4 ook geklaagd over het passeren van een aanbod tot het leveren van getuigenbewijs. Deze klacht blijft buiten behandeling nu het middel een dergelijk klacht niet bevat.
5 Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 1998, nr. 134. HR 14 december 2001, JOL 2001, 749.
6 MvT tot wetsvoorstel 26 855, nr. 3, blz. 123.
7 Recent: HR 14 juli 2000, NJ 2001, 451.