ECLI:NL:PHR:2002:AD9487

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 mei 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02915/00 B
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 onder c EVRMArt. 552p Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing verzoek aanhouding zitting ondanks buitenlandse procedure

In deze zaak verzocht betrokkene om uitstel van de behandeling van zijn strafzaak omdat hij aanwezig moest zijn bij een buitenlandse procedure in Malaga. De rechtbank wees dit verzoek af omdat uit informatie van de Spaanse autoriteiten bleek dat de procedure aldaar was onderbroken, waardoor de opgegeven verhindering niet aannemelijk was.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de late inschakeling van de Nederlandse advocaat voor rekening van betrokkene kwam en dat hij voldoende gelegenheid had gehad zich tijdig van rechtsbijstand te voorzien. Ook werd geoordeeld dat het persoonlijk belang van betrokkene moest wijken voor het belang van een voortvarende internationale samenwerking.

Tegen deze beslissing werd cassatie ingesteld. De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk was en geen verkeerde rechtsopvatting bevatte. Er was geen sprake van een schending van het recht op verdediging omdat betrokkene de gelegenheid daartoe niet had benut. Ook was geen bijzonder zwaarwegend belang aangevoerd dat aanhouding zou rechtvaardigen.

De Hoge Raad concludeerde dat het cassatiemiddel faalt en verwierp het beroep, waarmee de afwijzing van het verzoek tot aanhouding definitief bleef staan.

Uitkomst: Het verzoek tot aanhouding van de strafzaak werd afgewezen en het cassatieberoep verworpen.

Conclusie

Mr. Fokkens
Nr. 2915/00/B
Parket, 5 februari 2002
Conclusie inzake:
[betrokkene]
1. Bij beschikking van 18 juli 2000 heeft de rechtbank te Amsterdam de vordering van de officier van justitie toegewezen en verlof verleend om de ex art. 552p Sv in beslag genomen stukken van overtuiging aan hem ter beschikking te stellen ter overdracht aan de verzoekende Spaanse autoriteiten.
2. Namens [betrokkene] heeft dr. J.M. Sjöcrona, advocaat te 's-Gravenhage, een middel van cassatie voorgesteld.
3. Tijdens de behandeling van de zaak in cassatie bleek pas na geruime tijd dat tegen het door de Rechtbank verleende verlof eveneens beroep in cassatie ingesteld namens [A] B.V. Ook in die zaak, ingeschreven onder nummer 1917/01/B, neem ik vandaag conclusie.
4. Het middel komt op tegen de beslissing van de Rechtbank waarbij het verzoek om aanhouding werd afgewezen.
5. Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft de raadsman van verzoeker voorafgaand aan de zitting verzocht om uitstel van de behandeling. Daarbij heeft de raadsman er onder meer op gewezen dat verzoeker onmogelijk ter zitting kon verschijnen omdat hij aanwezig moest zijn bij een "hearing" in Malaga.
Vervolgens meldt het proces-verbaal hierover het volgende:
De officier van justitie heeft de rechtbank meegedeeld dat blijkens informatie van haar Spaanse ambtgenoot de procedure in Malaga op 29 juni 2000 is onderbroken tot 20 juli 2000, zodat de rechtbank minst genomen ernstige twijfel heeft of de namens betrokkene aangevoerde omstandigheden van verhindering juist zijn, laat staan een objectieve belemmering te verschijnen opleveren. De rechtbank vindt dan ook in de namens betrokkene opgegeven reden van verhindering geen aanleiding de zaak aan te houden.
Evenmin acht de rechtbank aanhouding geboden omdat de Nederlandse advocaat van betrokkene in verband met de (te) late inschakeling door betrokkene niet in staat is de belangen van zijn cliënt ter zitting te behandelen. Naar het oordeel van de rechtbank komt dit voor risico van betrokkene, aan wie op 6 juni 2000 de oproep te verschijnen is uitgereikt, en die derhalve ruimschoots in de gelegenheid is geweest zich tijdig van adequate rechtsbijstand te voorzien, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat betrokkene gezien zijn maatschappelijke positie ook zeer wel in staat geacht kan worden van de geboden gelegenheid gebruik te maken.
Nu voorts namens betrokkene geen bijzonder zwaarwegend belang is aangevoerd dat tot zijn aanwezigheid in persoon noopt, dient naar het oordeel van de rechtbank het persoonlijk belang van betrokkene te wijken voor het belang van een goede internationale samenwerking op het terrein van strafvordering dat gediend is met een voortvarende behandeling van verzoeken als het onderhavige.
De rechtbank wijst dan ook het verzoek om aanhouding af.
6. In de toelichting op het middel wordt een beroep gedaan op het in art. 6 lid 3 onder Pro c EVRM uitgedrukte recht voor een verdachte zichzelf te verdedigen. Bovendien zou het oordeel van de Rechtbank, dat namens verzoeker geen bijzonder zwaarwegend belang is aangevoerd dat tot zijn aanwezigheid in persoon noopt, onbegrijpelijk zijn in het licht van HR 21 maart 2000, nr. 3985/3986.
7. Het middel kan niet slagen. De rechtbank stelt in het eerste deel van haar afwijzing van het verzoek vast dat niet aannemelijk is dat verzoeker niet kan verschijnen vanwege de door hem opgegeven redenen en dat er dus geen reden is om die reden de behandeling aan te houden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting. Hetzelfde geldt voor het oordeel van de rechtbank dat geen aanhouding geboden is vanwege de late inschakeling van verzoekers Nederlandse advocaat. Daarmee is het verzoek om aanhouding op toereikende gronden afgewezen. Van een inbreuk op het recht zich te verdedigen is - afgezien van de vraag of art. 6 EVRM Pro op deze procedure van toepassing is - reeds daarom geen sprake omdat verzoeker de gelegenheid om zich te verdedigen niet heeft benut.
8. Vervolgens heeft de Rechtbank overwogen dat er geen bijzonder zwaar wegend belang is aangevoerd, dat aanleiding zou kunnen geven om ondanks hetgeen is vastgesteld tot een andere beslissing op het verzoek tot aanhouding te komen. Anders dan de steller van het middel meent, valt onder een dergelijk bijzonder belang niet zonder meer het recht in deze procedure te worden gehoord en eventueel verweer te voeren. De mogelijkheid daartoe heeft verzoeker immers niet benut. Niet onbegrijpelijk heeft de Rechtbank geoordeeld dat in die omstandigheden slechts bijzondere belangen eventueel nog aanleiding zouden kunnen geven tot aanhouding van de behandeling en dat daarvan niet is gebleken.
9. Ook ambtshalve is er geen reden voor vernietiging, zodat ik concludeer dat het beroep wordt verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,