1) In 1995 was eiser tot cassatie sub 2, [eiser 2], achtenvijftig jaar oud en had hij gedurende twintig jaar te Ermelo het beroep van orthomoleculair natuurgenezer uitgeoefend. [Eiser 2] is directeur van en aandeelhouder in eiseres tot cassatie sub 2, Astroria.
Verweerster in cassatie sub 1, [verweerster 1], is onderdeel van een concern dat bestaat uit verscheidene besloten vennootschappen die zich bezig houden met de internationale handel. Aan de top van het concern staat een stichting.
Nadat de verweerder in cassatie sub 2, [verweerder 2], als patiënt gedurende vijftien jaar [eiser 2] heeft bezocht, terwijl ook de moeder van [verweerder 2] patiënte was van [eiser 2], hebben Astroria en [verweerster 1] op 11 juli 1995 een overeenkomst gesloten op grond waarvan [eiser 2] tenminste veertig vrijdagen per jaar zal gaan werken als adviseur voor [verweerster 1] voor een maandvergoeding van ƒ 16.666,66 (productie 2 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens inhoudende conclusie van eis in reconventie). In september 1995 is [eiser 2] met deze werkzaamheden begonnen. Op 31 oktober 1995 hebben Astroria en [verweerster 1] een overeenkomst gesloten op grond waarvan [eiser 2] als adviseur in dienst van Astroria het personeelsbeleid en het public-relationsbeleid van [verweerster 1] zal verzorgen (productie 7 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens inhoudende conclusie van eis in reconventie). In de overeenkomst is onder meer opgenomen dat de overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd met een minimum van 20 jaar; dat de overeenkomst alleen maar kan worden ontbonden indien beide partijen hun goedkeuring daaraan hechten; dat de overeenkomst geldt per 1 januari 1996 en dat op die datum de overeenkomst van 11 juli 1995 vervalt; en dat door [verweerster 1] aan Astroria voor de werkzaamheden van [eiser 2] een vergoeding van ƒ 37.500,- per maand zal worden voldaan.
In januari 1996 is [eiser 2] begonnen met de werkzaamheden op grond van deze overeenkomst. In de loop van 1996 is [eiser 2] (niet statutair) algemeen directeur van [verweerster 1] geworden.
Onder verwijzing naar een brief van 15 december 1996 (productie 14 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens inhoudende conclusie van eis in reconventie) die [eiser 2] heeft geschreven aan [verweerder 2], heeft mr Bouwman bij brief van 29 december 1996 [eiser 2] meegedeeld dat de overeenkomst van 31 oktober 1995 met onmiddellijke ingang zal worden ontbonden (productie 15 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens inhoudende conclusie van eis in reconventie). Als redenen worden genoemd het blijkens de brief van 15 december 1996 door [eiser 2] opgezegde vertrouwen in de commissaris J. Kiers en de door [eiser 2] aan diens adres geuite bedreigingen met processen en claims, alsmede het verstrekken van afschriften van zijn brief van 15 december 1996 aan personeelsleden van [verweerster 1] waaraan de conclusie wordt verbonden dat [eiser 2] incapabel is voor het werk waarvoor hij is aangetrokken.
Bij brief van 23 januari 1997 heeft mr Bouwman aan [eiser 2] meegedeeld dat de overeenkomst van 31 oktober 1995 met onmiddellijke ingang wordt opgezegd onder vermelding van de redenen van de incapabiliteit (productie 25 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens inhoudende conclusie van eis in reconventie).