1 De feiten zijn in eerste aanleg door de kantonrechter vastgesteld, zie het vonnis van 18 februari 1999, p. 2 en 3 (onder "de feiten"). Deze zijn in appel niet bestreden (rov. 4.2 van het bestreden vonnis).
2 Deze brief is door [eiser] in de procedure ten overstaan van de kantonrechter overgelegd bij akte houdende overlegging producties, productie 5.
3 Dat betekent natuurlijk niet (zoals in de eerdere stukken wel verdedigd is) dat irrelevant is of aan de werknemer verwijt kan worden gemaakt. Verwijtbaarheid, en de ernst daarvan, zijn factoren die bij het beoordelen van het gewicht van de aan een ontslag ten grondslag gelegde reden bij uitstek van belang kunnen zijn, zie bijvoorbeeld HR 3 maart 1989, NJ 1989, 549 m.nt. PAS, rov. 3.2.
Ik merk op dat het volgens Bakels c.s., Schets van het Nederlands arbeidsrecht (2000) p. 146 - 147, uitzonderlijk is dat een niet-verwijtbare reden een deugdelijke grond voor ontslag op staande voet oplevert; zie ook Duk, SMA 1982, p. 514 e.v. Kuip, Ontslagrecht met bijzondere aandacht voor de dringende reden, diss. 1993 p. 42 -45, stelt zich kritisch op ten aanzien van de hier bedoelde, in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde regel.
4 In HR 26 januari 2001, zaaknr C99/159, ELRO AA 9664 was een geval aan de orde waarin voor de beoordeling van de ontslagreden wèl beslissend was of de betreffende gedraging de werknemer als gevolg van een geestelijke stoornis al dan niet als opzettelijk kon worden toegerekend.
5 Zie bijvoorbeeld HR 29 september 2000, NJ 2001, 560 m.nt. PAS, rov. 3.3 (ook een geval waarin de rechtbank de verwijtbaarheid van de aangevoerde ontslaggrond had daargelaten); HR 11 mei 2001, NJ 2001, 409, rov. 3.4; HR 21 januari 2000, NJ 2000, 190, rov. 3.9.1; HR 12 februari 1999, NJ 1999, 643 m.nt. PAS, rov. 4.4; en opnieuw: HR 3 maart 1989, NJ 1989, 549 m.nt. PAS, rov. 3.2 en 3.3. Dit uitgangspunt wordt ook in de literatuur algemeen aanvaard, zie Arbeidsovereenkomst (losbl.), Kuip, aant. 28 bij art 7:678; T & C Arbeidsrecht (2000), Luttmer-Kat, aant. 2 sub c bij art. 678; Van der Grinten, Arbeidsovereenkomstenrecht (1999), p. 251 - 252; Duk, De Hoge Raad en het ontslag op staande voet, SMA 1982, p. 513 - 514.
6 (Pas) uit de schriftelijke toelichting namens [eiser] heb ik begrepen, dat ook wordt aangevoerd dat het feit dat het vertrouwen in [eiser] ondermijnd is, door de rechtbank als (element van de) dringende reden zou zijn opgevat; waarbij [eiser] dan verdedigt dat althans dit gegeven niet uit [verweersters] ontslagbrief valt op te maken; en dat daarom de door de rechtbank aan die brief gegeven uitleg onbegrijpelijk of anderszins ontoelaatbaar zou zijn.
Dit argument lijkt mij tardief, omdat het ook bij welwillende lezing niet uit het cassatiemiddel kon worden opgemaakt (ik begrijp uit de schriftelijke toelichting namens [verweerster], dat ook aan die zijde niet is onderkend dat het middel dit argument op het oog zou hebben). Het argument lijkt mij verder inhoudelijk onjuist: de rechtbank heeft dit gegeven niet als een (door [verweerster] aangevoerd) element van de aan het ontslag ten grondslag gelegde reden opgevat, maar dit gegeven gesignaleerd als een feitelijk gevolg van [eisers] handelwijze, dat de ernst van die handelwijze accentueert en de reactie van [verweerster] (mede) rechtvaardigt.
7 In dat licht bezien doet het debat dat bij kantonrechter en rechtbank over de kwalificatie van "bedrog" heeft plaatsgevonden een beetje onwerkelijk aan. Ik meen overigens dat bepaald aanvechtbaar is, dat het voor gedrag dat als "bedrog" gekwalificeerd mag worden, steeds vereist zou zijn dat aan de bedrieger een verwijt kan worden gemaakt. Men kan opzettelijk - met een welbepaalde bedoeling - handelen, terwijl dat handelen toch als gevolg van geestesstoornis of andere disculperende oorzaak (dwang, ambtelijk bevel, overmacht, etc.) niet verwijtbaar is. Er kan dan zeer wel, afhankelijk van de juridische context, sprake zijn van bedrog. Zoals al gezegd, komt de discussie hierover mij wat onwerkelijk voor. Waar het om gaat is, of het feit dat de betreffende gedraging [eiser] niet zou mogen worden verweten, zozeer afdoet aan de ernst daarvan - zie het in voetnoot 3 besprokene - dat er daarom geen reden voor ontslag op staande voet overblijft. Per saldo hebben de partijen overigens, zoals al aangestipt, ook vooral daarover gedebatteerd.
8 Zoals al werd opgemerkt hebben partijen, en dus ook [eiser], zich geconcentreerd op de vraag of de ontslagreden in materieel opzicht het gegeven ontslag rechtvaardigde. Dat de ontslagreden niet deugdelijk zou zijn meegedeeld is - althans voorzover ik uit de stukken heb kunnen opmaken - niet gesteld. Het middel wijst ook geen vindplaatsen aan waar dat wel gebeurd zou zijn, en beantwoordt daarmee op dit punt niet aan het vereiste dat uit art. 407, tweede lid Rv. blijkt.
Hier zou de tegenwerping gemaakt kunnen worden, dat er voor [eiser] geen aanleiding bestond om zich erop te beroepen dat de ontslagreden zoals de rechtbank die heeft opgevat hem niet (tijdig) was meegedeeld, zolang hij er geen rekening mee hoefde te houden dat de ontslagreden door de rechtbank zo zou worden opgevat. Die tegenwerping lijkt mij ondoeltreffend. Daarbij geldt in de eerste plaats dat, zoals al gezegd, de rechtbank in het verband van het met middelonderdeel I bestreden oordeel nu eenmaal heeft aangenomen dat de betreffende ontslagreden wèl (duidelijk genoeg) uit de ontslagbrief viel te lezen. Maar tevens geldt dat de door de rechtbank als voldoende aangemerkte ontslagreden in wezen niet anders is dan de door de kantonrechter als zodanig aangemerkte ontslagreden; wat betekent dat [eiser] het argument dat die reden hem niet (tijdig) zou zijn meegedeeld al bij zijn Memorie van Grieven had kunnen aanvoeren - en ook diende aan te voeren, wilde daarmee in appel rekening kunnen worden gehouden.
9 HR 20 november 1987, NJ 1988, 282; een geval waarin, evenals in de onderhavige zaak, mede aan de orde was de nadere duiding of kwalificatie van de in een ontslagmededeling aangegeven feiten, in het licht van het daarna volgende partijdebat en van de daarin gestelde feiten, waarvan aannemelijk was dat de werkgever die ten tijde van het ontslag niet kon kennen.
10 De schriftelijke toelichting namens [verweerster] gaat ervan uit dat de rechtbank in deze zaak aan die regel toepassing heeft gegeven. Ik meen, zoals hiervoor bleek, dat het eenvoudiger ligt: de rechtbank heeft de door [verweerster] aangevoerde ontslaggrond beperkt opgevat, namelijk: als in essentie bestaande in het "kale" feit dat [eiser], met de bedoeling zich ten koste van [verweerster] te bevoordelen, een vervalst document had overgelegd. Die uitleg lijkt mij, zoals ik al aangaf, goed te begrijpen.
11 Zie o.a. HR 10 maart 1989, NJ 1990, 185, rov. 3.1; HR 7 oktober 1988, NJ 1989, 258 m.nt. PAS, rov. 3.5.
12 Ik merk op dat het middel dit gegeven niet met zoveel woorden aanwijst. In dit geval vind ik echter nog voldoende duidelijk, welk gegeven het middel op het oog heeft
13 Ten opzichte van de appellant geldt immers dat het onderzoek in appel zich moet beperken tot wat door zijn grieven aan de orde is gesteld. Bij gegrondbevinding van grieven kan het zo zijn dat de appelrechter ook gegevens (uit de eerste aanleg) die niet door de procespartijen in appel (opnieuw) naar voren zijn gebracht, alsnog moet beoordelen, maar dat geval is in deze zaak niet aan de orde. Zie over dit onderwerp bijvoorbeeld Ras - Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2001, nrs. 74 - 82 en Snijders - Wendels, Civiel Appel, 1999, nrs. 244 - 249.
14 Deze beschikking is overgelegd als productie 7 bij de conclusie van antwoord.
15 Zie bijvoorbeeld HR 7 december 1990, NJ 1991, 216, rov. 3.1.
16 Zie bijvoorbeeld Hugenholtz - Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht (1998), nr. 96 (p. 106), en de daar bij voetnoot 184 aangehaalde rechtspraak, en, recentelijk, HR 16 november 2001, RvdW 2001, 180, rov. 3.7.
17 Op het argument dat [verweerster] geen schade heeft geleden valt bijvoorbeeld in zoverre af te dingen, dat dit alleen daaraan is toe te schrijven, dat [eisers] gedraging tijdig door [verweerster] werd opgemerkt. Als dat niet zo snel was gebeurd had [verweerster] wel schade opgelopen. Bij de beoordeling van de ernst van een gedraging legt het feit dat die gedraging door alert optreden van de kant van de werkgever niet de schade heeft kunnen veroorzaken die daarmee wel degelijk beoogd was, volgens mij maar een zeer beperkt gewicht in de schaal.