ECLI:NL:PHR:2002:AD9909
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijslastverdeling bij vordering niet-genoten vakantiedagen
De zaak betreft een arbeidsrechtelijk geschil tussen eiser en verweerder over de betaling van achterstallige vakantietoeslag en niet-genoten vakantiedagen. Verweerder was in dienst bij eiser en vorderde betaling van vakantiegeld en vakantiedagen, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten. De kantonrechter kende de vordering deels toe, waarna eiser in hoger beroep ging. De rechtbank oordeelde dat eiser niet in het hem opgelegde bewijs was geslaagd en veroordeelde hem tot betaling van de gevorderde bedragen.
Centraal stond de vraag of bepaalde dagen, waaronder een dag van liefdesverdriet en twee ziektedagen, als vakantiedagen konden worden aangemerkt. De rechtbank stelde dat eiser de bewijslast droeg voor zijn stelling dat verweerder op die dagen vrijaf had genomen en niet ziek was. Eiser mocht bewijzen dat verweerder hem had gevraagd om vrijaf te geven, maar mocht niet bewijzen dat verweerder niet arbeidsongeschikt was.
In cassatie klaagde eiser over de bewijsopdracht en de bewijswaardering, waaronder de toepassing van artikel 213 Rv Pro op partijgetuigen. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat de bewijslastverdeling in dit soort zaken nauw verweven is met feitenrechtelijke oordelen die in cassatie slechts op begrijpelijkheid kunnen worden getoetst. Het beroep werd verworpen, waarmee het vonnis van de rechtbank in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het vonnis van de rechtbank blijft in stand.