ECLI:NL:PHR:2002:AE0072

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00316/01
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 293 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewijsuitsluiting en motivering bij ontuchtzaak minderjarig stiefkind

Verzoeker werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden wegens ontucht met zijn minderjarig stiefkind. In cassatie werd aangevoerd dat het hof ten onrechte had verhinderd dat een getuige bepaalde vragen beantwoordde en dat de motivering van die beslissing onvoldoende was.

De Hoge Raad overwoog dat op grond van artikel 293 Sv Pro het hof bevoegd is om vragen te beletten die niet relevant zijn voor de beoordeling van het geschil. Het hof had geoordeeld dat de gestelde vragen over de biologische moeder van de getuige niet relevant waren voor de betrouwbaarheid van haar verklaring over de ontuchtige handelingen.

De Hoge Raad vond dat het hof geen nadere motivering hoefde te geven en dat het oordeel begrijpelijk was. Ook het betoog dat de aangifte voortkwam uit verzet tegen de omgangsregeling werd niet relevant geacht. Het cassatiemiddel faalde en het beroep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot voorwaardelijke gevangenisstraf blijft in stand.

Conclusie

Mr Jörg
Nr. 00316/01
Zitting 22 januari 2002
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is door het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 26 september 2000 ter zake van "met zijn minderjarig stiefkind ontucht plegen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
2. Namens verzoeker heeft mr J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt erover dat het hof heeft belet dat een getuige door de verdediging gestelde vragen beantwoordde. Voorts zou de motivering van deze beslissing onvoldoende of onbegrijpelijk zijn.
4. Het hof heeft tot het bewijs laten bijdragen verklaringen van [betrokkene C], de ex-echtgenote van verzoeker, en van [betrokk[betrokkene A], die erop neer komen dat zij verzoeker ontuchtige handelingen hebben zien plegen met [slachtoffer], een uit een eerdere verhouding geboren dochter van [betrokkene C].
5. Het proces-verbaal van de zitting van 12 september 2000 bevat de volgende passages:
- tijdens het verhoor van de getuige [betrokkene A]:
"U laat mij een foto zien. Op die foto staat de zus van mijn moeder. U laat een tweede foto zien. Hier sta ik samen met mijn tante op. Mijn moeders zus heet [betrokkene B].
De raadsman legt aan het hof over een uittreksel uit het geboorteregister op naam van het kind [betrokkene A] en verklaart dat uit dit uittreksel blijkt dat niet [betrokkene C] maar haar zus [betrokkene B] de moeder is van de getuige [betrokkene A]. Voorts verklaart de raadsman dat hieruit tevens blijkt dat de getuige hieromtrent onder ede heeft gelogen en dat hij twijfelt aan de juistheid van haar verklaring.
De oudste raadsheer houdt de raadsman voor dat niemand uit eigen wetenschap kan verklaren wie zijn biologische moeder is en dat het door de raadman gestelde allerminst aantoont dat de getuige [betrokkene A] bewust heeft gelogen."
- tijdens het verhoor van de getuige [betrokkene C]:
"Op vragen van de raadsman antwoord ik als volgt:
U laat mij een kopie zien van een uittreksel uit het geboorteregister te Benin op naam van [betrokkene A], waaruit zou blijken dat [betrokkene A] de dochter is van mijn zus. Zij is mijn dochter; wat maakt het uit uit wie ze geboren is.
De voorzitter belet de getuige [betrokkene C] verdere vragen van de raadsman op dit punt te beantwoorden, nu de eventuele omstandigheid dat niet [betrokkene C] maar [betrokkene B] de biologische moeder van de getuige [betrokkene A] zou zijn niet van belang is voor enige in deze zaak te nemen beslissing."
6. Ingevolge artikel 293, eerste lid, Sv staat het de rechter vrij te beletten dat een getuige antwoord geeft op door de raadsman van de verdachte gestelde vragen die voor de beoordeling van het geschil niet relevant zijn (zie onder meer HR 30 oktober 2001, LJN AD4383, en HR 22 september 1981, NJ 1981, 648). Voorzover het middel uitgaat van een andersluidende opvatting, faalt het.
7. Het oordeel van het hof omtrent de relevantie van de antwoorden die het heeft belet, behoefde mijns inziens ook geen nadere motivering dan is gegeven en is evenmin onbegrijpelijk. Aan dit oordeel heeft het hof kennelijk ten grondslag gelegd: a. de hierboven geciteerde opmerking van de oudste raadsheer, dat het door de verdediging overgelegde uittreksel uit het geboorteregister van Benin niet aantoont dat de getuige [betrokkene A] heeft gelogen, en b. het ontbreken van een verband tussen enerzijds het antwoord op de vraag of [betrokkene C] de natuurlijke moeder van [betrokkene A] is en anderzijds de betrouwbaarheid van hun verklaring omtrent verzoeker. Zelfs als waar zou zijn dat er met de afkomst van [betrokkene A] wordt gesmokkeld, hetgeen de getuigen verborgen zouden willen houden, betekent zulks niet dat de betrouwbaarheid van hun verklaring over een volstrekt andere en daar in het geheel niet mee samenhangende kwestie, automatisch ter discussie komt.
8. Voorts kon het hof - anders dan waar het middel van uitgaat - ten tijde van het getuigenverhoor geen rekening houden met het betoog op dit punt in de pleitnotitie, nu deze pas na afloop van dat verhoor is voorgedragen en overgelegd. Deze zaak verschilt dus in die zin van de situatie in HR 13 januari 1998, NJ 1998, 464, waarop het middel zich beroept, dat er in die zaak wel een voor de hand liggend verband was tussen de niet-beantwoorde vraag en de betrouwbaarheid van de getuige.
9. De door de raadsman in zijn pleitnotitie (blz. 5) veronderstelde verbanden tussen enerzijds a. de mogelijkheid dat [betrokkene C] niet de natuurlijke moeder van [betrokkene A] is, of b. het door verzoeker van de eerste plaats bij de moeder verdrongen zijn van [betrokkene A], en anderzijds de door hem veronderstelde behoefte van [betrokkene A] om wraak te nemen op verzoeker is zó vergezocht dat het hof - zelfs indien het wel van het gestelde in de pleitnota op de hoogte was geweest - zijn beslissing de getuige [betrokkene C] het antwoorden te beletten niet nader had behoeven te motiveren.
10. Tenslotte de suggestie dat de aangifte voortkomt uit verzet tegen de omgangsregeling volgens welke verzoeker het slachtoffertje zonder bijzijn van een derde zou mogen ontmoeten: indien de verklaring van [betrokkene A] op waarheid berust - en daarvan moeten we thans uitgaan - zou een dergelijk uit bezorgdheid voortkomend verzet niet onbegrijpelijk zijn.
11. De motiveringsklacht faalt derhalve eveneens.
12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG