ECLI:NL:PHR:2002:AE0155
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verjaring en ongerechtvaardigde verrijking bij bodemverontreiniging en sanering
De zaak betreft een geschil tussen de Staat der Nederlanden en de erfgenamen van een eigenaar die tussen 1949 en 1996 een perceel exploiteerde waar bodemverontreiniging plaatsvond. Na sanering in 1986, waarbij de kosten door het Rijk en de gemeente zijn gedragen, vordert de Staat vergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking volgens artikel 75 lid 3 Wet Pro bodembescherming.
De rechtbank wees de vordering af wegens verjaring, maar het hof stelde dat artikel 119a Overgangswet Nieuw BW de verjaringstermijn verlengt tot 1 januari 1997 en dat de verjaring tijdig is gestuit. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en oordeelt dat artikel 119a ook geldt voor vorderingen uit ongerechtvaardigde verrijking, niet alleen voor onrechtmatige daad.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de schade als gevolg van de sanering een gevolg is van de bodemverontreiniging en dat het verband tussen de verrijking en de schade voldoende is vastgesteld. Het verweer dat de bodemverontreiniging vóór 1975 ontstond en dat daardoor geen toerekeningsverband zou bestaan, wordt verworpen. De vordering uit ongerechtvaardigde verrijking staat naast die uit onrechtmatige daad en is toewijsbaar.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is om het beroep te verwerpen en daarmee de vordering van de Staat toe te wijzen. De uitspraak bevestigt de toepassing van milieurechtelijke verjaringregels en de mogelijkheid tot verhaal op grond van ongerechtvaardigde verrijking bij bodemverontreiniging.
Uitkomst: De vordering van de Staat tot vergoeding van saneringskosten wegens bodemverontreiniging wordt toegewezen, waarbij de verjaringstermijn is verlengd door toepassing van artikel 119a Overgangswet Nieuw BW.