1 Uiteindelijk: artikel 25, lid 1, letter g
2 Ik heb de citaten uit de wetsgeschiedenis genummerd in verband met de in het vervolg van deze conclusie opgenomen verwijzingen naar deze geschiedenis.
3 Niessen, Het lijfrenteregime in de inkomstenbelasting, Kluwer - Deventer - 1986, blz. 70
4 Wessels, Natuurlijke verbintenissen, W.E.J. Tjeenk Willink - Zwolle - 1988, blz. 321
5 Asser-Hartkamp 4-I, Verbintenissenrecht, De verbintenis in het algemeen, A.S. Hartkamp en W.E.J. Tjeenk Willink - Deventer - 2000, paragraaf 71
6 Asser-Hartkamp, t.a.p.
7 zie ook Wessels, a.w. blz. 8 en 220, Verbintenissenrecht, losbladige uitgave, aantekeningen bij
artikel 3 (6.1.1.3), bewerkt door prof.mr. W.G. Huijgen en Moltmaker in zijn conclusie voor
HR 20 december 1989, nr. 26062, BNB 1990/69: ".. het aanspraakcriterium een tautologisch karakter heeft. Het zegt niet veel meer dan hetgeen voor de verbintenis in het algemeen geldt, namelijk dat tegenover de verplichting van de een een aanspraak van de ander staat. (Dit geldt uiteraard slechts voor verplichtingen, die hun grondslag vinden in de relatie tussen bepaalde personen en niet voor morele verplichtingen die men kan voelen jegens groepen van personen, bijv. de derde wereld, slachtoffers van rampen enz. Een gift aan het Rode Kruis blijft een gift.) Dit betekent echter, dat het aanspraakcriterium geen werkelijk criterium is, d.w.z. dat het ons niet veel verder helpt bij de beantwoording van de vraag wanneer sprake is van een natuurlijke verbintenis. Zie Parl. Gesch. Boek 6 Van Zeben blz. 84 en uitvoerig Schoordijk, WFR 4793/1966, blz. 238 e.v.".
8 Huijgen, t.a.p.
9 In dezelfde zin: HR 17 oktober 1997, nr. 16411, NJ 1998/692 m.nt. WMK
10 Wessels, a.w. blz. 296 en 299
11 Langeveld, Binding in vrijheid. Een studie naar toekomstige gezinnen, relaties en hulpverlening, Sociale en Culturele Studies-6, uitg. Staatsuitgeverij, 's-Gravenhage, 1985, blz. 19 e.v.
12 zie Asser-de Boer, Personen- en familierecht, W.E.J. Tjeenk Willink - Deventer - 1998, paragraaf 568: "Wel zal in vele gevallen een natuurlijke verbintenis aanwezig zijn om de partner na het einde van de relatie voor kortere of langere tijd te onderhouden" en Pitlo-Van der Burght-Rood-de Boer, deel I, Het personen- en familierecht, Gouda Quint - 1996, blz. 422/423: "De partner die in overleg met de ander zijn werk - zijn bron van levensonderhoud - en carrière opgeeft ten einde de huishoudelijke taken op zich te nemen, heeft doorgaans op grond van deze werkverdeling ... jegens de ander aanspraak op levensonderhoud. (...). Hier is tenminste sprake van het bestaan van een natuurlijke verbintenis tot het verschaffen van levensonderhoud (...).".
13 Van Soest, Bartel, Cornelisse, Van Weeghel, Belastingen, Gouda Quint - 2001, blz. 18
14 HR NJ 1978,432, met noot EAAL, zie ook HR NJ 1998,112, vergelijk Minkenhof, De wet herziening echtscheidingsrecht, Tjeenk Willink - Groningen - 1971, blz.63 en de Groene banden Personen- en familierecht, aant. 1 op art.157.
15 De maatschappelijke opvattingen zijn naar mijn mening genuanceerd op het punt van inkomen genereren en de zorg uitbesteden - bijvoorbeeld door gebruik te maken van kinderopvang - of zelf de zorg geven, in die zin dat zowel het een als het ander maatschappelijk aanvaard is. De andersluidende opvatting die de fiscus voor het Hof heeft verkondigd - slechts de eerste variant is maatschappelijk aanvaard - acht ik dan ook onjuist.
Vgl. Harriet Tigchelaar, Gescheiden zorgen, Boom - Den Haag - 1999, blz. 6/7: " In huwelijken waarin kinderen worden geboren, blijkt namelijk dat na de geboorte van kinderen de vrouw meestal arbeidsuren inlevert. Dat leidt vooral onder lager opgeleiden tot het klassiek kostwinnersmodel en onder hoger opgeleiden tot "anderhalfverdieners", waarbij de vrouw in deeltijd werkt.".
Zie voor de in deze conclusie verdedigde opvatting ook Minkenhof in Relatievrijheid en recht, Kluwer - Deventer - 1983, blz. 124 ev.
16 Voor alle duidelijkheid merk ik op dat het mij hier niet gaat om de voorziening in het levensonderhoud van het kind zelf.
17 Tigchelaar, t.a.p. blz. 71: "In deze periode plaats ik de opvatting van alimentatie als taakverantwoordelijkheid. Hiermee bedoel ik dat alimentatie ten behoeve van de vrouw als vanzelfsprekend uitvloeisel wordt gezien van de taakverdeling ten tijde van het huwelijk. Als de man tijdens het huwelijk de taak van kostwinner op zich heeft genomen en de vrouw de huishoudelijke en zorgtaak vervulde, mag de vrouw daarvan na echtscheiding niet de dupe worden.".
18 Cohen Henriquez/Moltmaker, Privaatrechtelijke en fiscale aspecten van samenlevingsvormen buiten huwelijk, Kluwer - Deventer - 1977, blz. 65 ev., zie voor een, uit 1983 stammende, sociologische benadering van de ontwikkeling van de tweerelaties, Straver in Relatievrijheid en recht, t.a.p. blz. 14 ev.
19 Samenleven. Nieuwe feiten over relaties en gezinnen, Uitgeverij CBS - Voorburg/Heerlen - 2001. Ook in te zien via internet: www.cbs.nl.
20 Veegens, Cassatie in Burgerlijke zaken, bewerkt door Korthals Altes en Groen, W.E.J. Tjeenk Willink - Zwolle - 1989, blz. 228