ECLI:NL:PHR:2002:AE0645
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de gevolgen van het intrekken van het beroep op nietigheid ontslag op staande voet
In deze zaak stond centraal of een werknemer die aanvankelijk de nietigheid van een ontslag op staande voet heeft ingeroepen, daarna nog schadevergoeding kan vorderen wegens onregelmatige of kennelijk onredelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De werknemer was op staande voet ontslagen wegens vermeende verkoop van gratis vervoerskaartjes. Hij had de nietigheid van het ontslag ingeroepen, maar deed later afstand van dat beroep.
De kantonrechter had de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk ontbonden zonder vergoeding toe te kennen en verklaarde de werknemer niet-ontvankelijk in zijn schadevorderingen wegens verjaring en het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. De Hoge Raad overwoog dat het intrekken van het beroep op nietigheid niet automatisch betekent dat de werknemer erkent dat het ontslag terecht was, en dat bijzondere omstandigheden nodig zijn om te verhinderen dat de werknemer alsnog schadevergoeding kan vorderen.
De Hoge Raad verduidelijkte dat vorderingen tot nakoming van de arbeidsovereenkomst (bij nietigheid) niet gecombineerd kunnen worden met schadevorderingen wegens onregelmatigheid of kennelijke onredelijkheid, maar dat afstand van het beroep op nietigheid een nieuwe mogelijkheid tot schadevordering opent. Ook werd bevestigd dat een ontbindingsbeschikking van de kantonrechter niet in de weg staat aan een dergelijke schadevordering als het ontslag daadwerkelijk door de werkgever is gegeven.
De zaak werd vernietigd en verwezen naar het hof voor verdere beoordeling van de schadevorderingen op grond van onregelmatig en kennelijk onredelijk ontslag.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak naar het hof voor beoordeling van de schadevorderingen wegens onregelmatig en kennelijk onredelijk ontslag.