ECLI:NL:PHR:2002:AE0649
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en opzegging van duurovereenkomst administratieverzorging met inachtneming van contractuele opzeggingsregeling
Partijen sloten op 17 september 1994 een aannemingsovereenkomst voor administratieverzorging, met een contractuele opzeggingsregeling die opzegging pas mogelijk maakte per 1 januari 1996 en vervolgens alleen per 1 januari van een volgend jaar.
De eiseres zegde de overeenkomst op 26 april 1996 met onmiddellijke ingang op wegens het ontbreken van vertrouwen, waarna geen werkzaamheden meer werden verricht en betalingen stopgezet. De verweerster vorderde betaling van achterstallige termijnen tot en met december 1996, wat door rechtbank en hof werd toegewezen.
De Hoge Raad oordeelt dat partijen in beginsel gebonden zijn aan de contractuele opzeggingsregeling en dat een uitzondering daarop slechts mogelijk is bij gerechtvaardigd beroep op gewijzigde omstandigheden of op grond van redelijkheid en billijkheid. De door eiseres aangevoerde omstandigheden waren onvoldoende om hiervan af te wijken.
De Hoge Raad wijst het cassatiemiddel af en bevestigt dat het hof de motivering en feitelijke beoordeling zorgvuldig heeft uitgevoerd, waarbij het ontbreken van protest door eiseres na ontvangst van de overeenkomst mede heeft geleid tot de conclusie dat zij de overeenkomst als bindend heeft aanvaard.
De zaak benadrukt het belang van het naleven van contractuele bepalingen in duurovereenkomsten en beperkt de ruimte voor eenzijdige beëindiging zonder inachtneming van contractuele opzegtermijnen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest wordt bekrachtigd, waarbij de vordering tot betaling van achterstallige termijnen wordt toegewezen.