ECLI:NL:PHR:2002:AE0739
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over bewijslast en samenleven als waren zij gehuwd bij alimentatieplicht ex-echtgenoot
In deze cassatieprocedure staat de vraag centraal of de vrouw samenleeft met een ander als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW Pro, waardoor de onderhoudsverplichting van de man jegens haar zou eindigen. De man stelde dat de vrouw samenwoonde met een andere man en dat zij elkaar wederzijds verzorgden en een gemeenschappelijke huishouding voerden. Het hof oordeelde echter dat dit niet voldoende was aangetoond en verwierp het bewijsaanbod van de man.
De Hoge Raad bevestigt dat de bewijslast voor het aannemen van een samenleving als waren zij gehuwd hoog ligt en dat deze bepaling restrictief moet worden uitgelegd vanwege de ingrijpende gevolgen voor de alimentatieplicht. Het hof mocht op grond van de feiten en omstandigheden geen rechterlijk vermoeden aannemen dat de vrouw en haar partner een dergelijke samenleving voerden. Ook de stelling dat de bewijslast op grond van redelijkheid en billijkheid zou moeten worden omgekeerd, wordt verworpen.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het bewijsaanbod van de man niet onterecht is gepasseerd, aangezien het onvoldoende was toegespitst op de wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak voor verdere behandeling terug naar het hof.
Deze uitspraak benadrukt het strenge bewijsvereiste bij het beëindigen van alimentatieverplichtingen op grond van samenleven als waren zij gehuwd en bevestigt de hoofdregel van bewijslastverdeling in civiele procedures.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug vanwege onvoldoende bewijs van samenleven als waren zij gehuwd.