ECLI:NL:PHR:2002:AE0742

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 mei 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R01/002HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatieberoep wegens gebrek aan feitelijke grondslag en onvoldoende bewijs

Eiser stelde in cassatie vier middelen aan tegen het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 3 oktober 2000. Middel I bevatte onder meer de klacht dat eiser, die in persoon procedeerde, niet in de gelegenheid was gesteld fotomateriaal over te leggen ter onderbouwing van zijn vordering. Deze klacht faalde wegens gebrek aan feitelijke grondslag en omdat uit de stukken niet bleek dat eiser het fotomateriaal niet eerder had kunnen overleggen.

Daarnaast oordeelde het Hof dat zonder de foto's de stellingen van eiser onbegrijpelijk waren en dat het Hof niet verplicht was een comparitie van partijen te gelasten. Het bewijsaanbod van eiser werd als niet ter zake dienend beoordeeld omdat de stellingen, zelfs als bewezen, de vordering niet konden dragen.

De overige middelen herhaalden deze klachten of betroffen het verzoek om een deskundigenbericht, waarvan het Hof vrij was dit al dan niet toe te staan. Ook het middel over incassokosten werd verworpen omdat de vordering niet voor toewijzing in aanmerking kwam. De Hoge Raad concludeerde dat de klachten niet tot cassatie konden leiden en wees het beroep af met toepassing van art. 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het vonnis van het Hof bevestigd.

Conclusie

Rek.nr. R01/002HR (NA)
Mr L. Strikwerda
Zt. 8 maart 2002
conclusie inzake
[Eiser]
tegen
1. [Verweerster 1]
2. Ennia Caribe Schade N.V.
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig ingestelde cassatieberoep tegen het tussen partijen in hoger beroep gewezen vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba d.d. 3 oktober 2000 berust op vier middelen.
2. Middel I is opgebouwd uit vier onderdelen.
3. Na onderdeel 1, dat geen klacht bevat, klaagt onderdeel 2 dat het Hof art. 6 EVRM Pro heeft geschonden, omdat geen sprake zou zijn geweest van een eerlijk proces en/of van effectieve toegang tot de rechter. Daartoe wordt gesteld dat [eiser], die in persoon procedeerde, door het Hof niet in de gelegenheid is gesteld om, door alsnog fotomateriaal over te leggen, zijn vordering nader te adstrueren. Die gelegenheid zou [eiser] zijn onthouden, omdat hij op de voor het pleidooi bepaalde dag wegens ziekte niet kon verschijnen, zoals hij ook aan de griffie van het Hof had bericht.
4. De stelling dat [eiser] (de griffie van) het Hof heeft bericht van zijn verhindering om op de voor het pleidooi bepaalde dag te verschijnen, vindt geen steun in het bestreden vonnis (zie r.o. 4.3) of in de stukken van het geding, zodat, nu de feitelijke grondslag van een cassatiemiddel slechts kan worden gevonden in de bestreden uitspraak en in de stukken van het geding, het onderdeel reeds faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Waar bovendien uit de gedingstukken niet blijkt van feiten of omstandigheden waaruit volgt dat [eiser] niet in staat is geweest het bedoelde fotomateriaal reeds bij de memorie van grieven of op de voor het pleidooi bedoelde dag over te (doen) leggen, is het verwijt dat het Hof [eisers] niet de gelegenheid heeft geboden zijn vordering met dat fotomateriaal te adstrueren ongegrond.
5. Ook onderdeel 3 is tevergeefs voorgesteld. 's Hofs oordeel dat zonder de foto's de stellingen van [eiser] onbegrijpelijk zijn, berust op een aan het Hof voorbehouden uitleg van de gedingstukken en is niet onbegrijpelijk. Voor zover het onderdeel klaagt dat het Hof, als er nog vragen waren, een comparitie van partijen had behoren te gelasten, faalt het. Het is aan het inzicht van het Hof, als rechter die over de feiten oordeelt, overgelaten of het aanleiding vindt gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een comparitie ter verkrijging van inlichtingen te gelasten. Zie bijv. HR 4 januari 1980, NJ 1980, 149.
6. Onderdeel 4, dat het Hof verwijt ongemotiveerd te zijn voorbijgegaan aan het bewijsaanbod van [eiser], kan evenmin tot cassatie leiden. Het Hof heeft de stellingen van [eiser] als onbegrijpelijk bestempeld (r.o. 4.4). Daarin ligt besloten dat die stellingen, ook als zij waargemaakt zouden kunnen worden, de vordering van [eiser] niet kunnen dragen. Het Hof heeft derhalve aan het bewijsaanbod van [eiser] als niet ter zake dienend voorbij kunnen gaan.
7. Middel II behelst naar mijn lezing een herhaling van de klacht van onderdeel 4 van middel I. Het faalt op dezelfde gronden. Voor zover het middel voorts klaagt dat het Hof [eiser] tot het bewijs van zijn stellingen had moeten toelaten, omdat, nu [eiser] in persoon procedeerde, lichtere eisen behoren te gelden voor het bewijsaanbod, verliest het uit het oog dat, ook al zou het Hof [eiser] tot bewijs van zijn stellingen hebben toegelaten en [eiser] in dat bewijs zou zijn geslaagd, de alsdan bewezen feiten naar 's Hofs oordeel de vordering niet kunnen dragen, zodat [eiser] belang mist bij deze klacht. 8. Middel III dat klaagt dat het Hof geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek van [eiser] om een deskundigenbericht te gelasten, faalt omdat het Hof, als rechter die over de feiten oordeelt, vrij was aan een dergelijk verzoek al dan niet gehoor te geven. Zie bijv. HR 31 maart 1995, NJ 1995, 597 nt. HER.
9. Middel IV kan evenmin tot cassatie leiden. Het verliest uit het oog dat voor toewijzing van incassokosten geen plaats is, indien de vordering ter zake waarvan die kosten zijn gemaakt niet voor toewijzing in aanmerking komt. Tot een afzonderlijke motivering van zijn beslissing op dit punt was het Hof niet gehouden.
Aangezien de aangevoerde klachten naar mijn oordeel niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, strekt de conclusie tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,