ECLI:NL:PHR:2002:AE0744

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R01/113HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. II lid 2 WlaArt. 1:157 lid 5 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van limitering en termijnstelling van alimentatieverplichting na scheiding

In deze zaak staat de alimentatieverplichting na echtscheiding centraal, waarbij de man verzocht had de alimentatie te beëindigen of te verminderen vanwege gewijzigde omstandigheden. De rechtbank wees het primaire verzoek af maar matigde de alimentatie gedeeltelijk. De vrouw ging in hoger beroep en het hof bevestigde de afwijzing van de limitering.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof tekort is geschoten door geen termijn voor de beëindiging van de alimentatie vast te stellen, zoals vereist is op grond van art. II lid 2 van de Wet limitering alimentatie (Wla) voor alimentatieverplichtingen vastgesteld vóór 1 juli 1994. Ook als de alimentatiegerechtigde geen verzoek tot termijnstelling indient, moet de rechter ambtshalve een termijn bepalen en partijen gelegenheid geven zich hierover uit te laten.

De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden arrest en wijst de zaak terug aan het hof om alsnog een termijn te bepalen. Hiermee wordt de rechtszekerheid en billijkheid in alimentatiezaken gewaarborgd, waarbij de alimentatieverplichting niet onbeperkt kan doorlopen zonder een wettelijke termijnstelling.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen om alsnog een termijn voor beëindiging van de alimentatieverplichting vast te stellen.

Conclusie

Nr. R 01/113 HR
Mr. M.R. Mok
(alimentatie)
Parket, 13 februari 2002
Conclusie inzake
[De man]
tegen
[De vrouw]
1. KORTE BESCHRIJVING VAN DE ZAAK
1.1. Bij vonnis van 23 mei 1984 heeft de rechtbank te Dordrecht de echtscheiding uitgesproken tussen verzoeker van cassatie, de man , en verweerster, de vrouw. Dit vonnis is op 27 juli 1984 ingeschreven.
Bij dit vonnis is ten behoeve van de vrouw een alimentatieverplichting opgelegd. Bij beschikking van de rechtbank van 20 december 1995 is de alimentatie met ingang van 1 januari 1996 laatstelijk vastgesteld op ƒ 1000,- per maand.
1.2. Bij een op 25 juni 1999 binnengekomen verzoekschrift heeft de man de genoemde rechtbank gevraagd de alimentatie per 27 juli 1999 te beëindigen. Subsidiair heeft de man gevraagd de alimentatie op grond van gewijzigde omstandigheden met ingang van 1 januari 1999 op nihil te stellen.
De vrouw heeft de rechtbank gevraagd het verzoek van de man af te wijzen dan wel te bepalen dat de alimentatieverplichting zal eindigen per de datum waarop een van beide partijen niet meer in leven is.
1.3. Bij beschikking van 25 oktober 2000 heeft de rechtbank het primaire verzoek van de man afgewezen. Zij heeft overwogen dat limitering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd.
De rechtbank heeft het subsidiaire verzoek in zoverre toegewezen dat de alimentatie op grond van wijziging van omstandigheden met ingang van 1 november 2000 op ƒ 610,- per maand is gesteld.
1.4. De vrouw is in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof in Den Haag. Zij heeft het hof verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen en de alimentatie met ingang van 1 januari 2000 te stellen op ƒ 1.074,72 per maand(1).
De man heeft incidenteel geappelleerd. Het incidenteel appel richt zich o.m. tegen de afwijzing van het verzoek tot limitering.
1.5. Bij beschikking van 18 juli 2001 heeft het hof het subsidiaire verzoek van de man tot vermindering van de alimentatie op grond van gewijzigde omstandigheden, alsnog afgewezen.
Over de limitering heeft het hof geoordeeld dat de rechtbank het verzoek van de man terecht heeft afgewezen en heeft het de beschikking van de rechtbank te dien aanzien, bekrachtigd.
1.6. Tegen de beschikking van het hof heeft de man (tijdig) beroep in cassatie ingesteld onder aanvoering van een uit twee onderdelen bestaand middel.
2. BESPREKING VAN HET CASSATIEMIDDEL
2.1. In deze zaak gaat het om limitering "oude stijl": de alimentatie is vastgesteld vóór 1 juli 1994.
2.2. Onderdeel 1 klaagt erover dat het hof geen termijn voor de beëindiging van de alimentatieverplichting heeft vastgesteld.
Het onderdeel acht zulks in strijd met art. II lid 2 van de Wet limitering alimentatie (Wla)(2). Het verwijst tevens naar de geschiedenis van de Wla alsmede naar enkele arresten van de Hoge Raad(3).
2.3. Onderdeel 2 stelt dat ook indien 's hofs beschikking aldus moet worden begrepen dat de vrouw geen verzoek tot termijnstelling heeft gedaan, er sprake is van schending van art. II, lid 2, Wla, waarbij het hof bovendien heeft miskend dat het partijen dan in de gelegenheid had moeten stellen zich over een termijn uit te laten.
Ook hier verwijst het onderdeel naar de in noot 1 genoemde rechtspraak.
2.4.1. Art. II, lid 2, Wla bepaalt dat de rechter die beëindiging van de uitkering zo ingrijpend acht dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd, op diens verzoek alsnog een termijn moet vaststellen.
Oorspronkelijk berustte de termijnstelling op een bevoegdheid. Door aanneming van een amendement- Van der Burg is zulks (voor "oude gevallen"(4)) veranderd in een verplichting. De toelichting op dit amendement zei:
"Ten einde buiten iedere twijfel te stellen dat de rechter in de hier bedoelde gevallen altijd een termijn voor verdere onderhoudsuitkeringen moet vaststellen, is de "kan" - bepaling in de tweede zin omgezet in een "moet" - bepaling."(5)
De rechter die de alimentatie niet beëindigt moet steeds een termijn vaststellen(6).
2.4.2. De mogelijkheid dat de alimentatiegerechtigde geen verlengingsverzoek doet is bij de behandeling van dit amendement niet onderkend. De in noot 3 genoemde arresten hebben die lacune opgevuld.
Bij gebreke van een verlengingsverzoek moet de rechter partijen gelegenheid geven zich daarover alsnog uit te laten.
2.5. Een verzoek om een termijn (als hier is gedaan) tot het eind van het leven van één van partijen kan niet als een verzoek in de zin van de wet worden beschouwd, omdat dan de alimentatie al van rechtswege eindigt.
Waar het in de onderhavige zaak om gaat is dat het hof, al dan niet na uitnodiging van partijen zich daarover uit te laten, een termijn had moeten stellen.
2.6. Men kan tegenwerpen (en de vrouw doet dat, in iets andere bewoordingen, ook) dat de rechtbank de vrouw al had moeten uitnodigen(7) een termijn te vragen. Door, toen de rechtbank dat niet heeft gedaan, daartegen niet in appel op te komen, heeft ­ zo zou men kunnen stellen ­ de man in het zonder termijn doorlopen van de alimentatie berust.
Evenwel moet de rechter in wezen ambtshalve een termijn vaststellen. "Het feit dat degene die tot de uitkering gerechtigd is, de rechter niet om vaststelling heeft verzocht, doet aan het voorgaande niet af."(8) Deze verplichting rustte op het hof, ook zonder een daartoe strekkende grief van de man.
2.7. Het voorgaande brengt mee dat het middel slaagt en dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.
3. CONCLUSIE
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof in Den Haag teneinde alsnog in de hiervóór aangeven zin over de vaststelling van een termijn te beslissen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
1. Dit is het geïndexeerde bedrag per 1 januari 1999, terwijl de vrouw kennelijk het geïndexeerde bedrag per 1 januari 2000 heeft bedoeld; zie punt 2 van de beschikking van het hof; in cassatie is dit niet van belang.
2. Wet van 28 april 1994, Stb. 324, zoals gewijzigd bij wet van 28 april 1994, Stb. 325
3. HR 19 april 1996, NJ 97, 57, m.nt. J. de Boer en HR 28 maart 1997, NJ 1997, 382.
4. Voor nieuwe gevallen (alimentatie vastgesteld sedert 1 juli 1994) bestaat volgens art. 1:157, lid 5, BW een bevoegdheid van deze strekking.
5. Kamerst. [II 1992-1993], 22 170, nr. 15; zie voor de oorspronkelijke tekst: kamerst., a.v., nr. 10; zie voor de geschiedenis van de Wla en verdere gegevens tevens de conclusies (Koopmans resp. De Vries Lentsch) voor de in noot 3 genoemde arresten.
6. Hij moet daarbij tevens bepalen of na ommekomst van die termijn verlenging mogelijk is. Zie de op één na laatste volzin van het tweede lid. In tegenstelling tot de enigszins tweeslachtige bepaling dat de rechter een termijn moet vaststellen op verzoek van de alimentatiegerechtigde, is deze verplichting als een "echte" ambtshalve verplichting geformuleerd.
7. In feite: dwingen. De rechter kan een alimentatiegerechtigde immers in de gelegenheid stellen om een termijn te vragen, daaraan toevoegend dat hij, bij gebreke daarvan, de alimentatie zal beëindigen.
8. HR 28 maart 1997 (zie hiervóór, noot 3), ro. 3.3.