ECLI:NL:PHR:2002:AE0746
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid beroep wegens termijnoverschrijding bij wijziging GBA-gegevens
Verzoeker heeft in maart 1999 verzocht om wijziging van zijn burgerlijke staat in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) van Rotterdam op basis van een huwelijksakte uit Marokko. De gemeente weigerde dit verzoek omdat de akte niet gelegaliseerd was. Verzoeker stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank, maar dit werd afgewezen wegens termijnoverschrijding. In hoger beroep verklaarde het hof verzoeker niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift te laat was ingediend, namelijk op 27 april 2000, terwijl de termijn tot 25 april liep.
Verzoeker stelde cassatie in tegen deze beslissing en voerde onder meer aan dat het hof een verrassingsbeslissing had genomen zonder behoorlijke hoor en wederhoor en dat het hof de doorzendplicht van art. 6:15 Awb Pro had miskend. De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en dat het hof terecht had vastgesteld dat het beroepschrift te laat was ingediend. Het hof had het beginsel van hoor en wederhoor niet geschonden omdat verzoeker en zijn raadsman niet waren verschenen bij de mondelinge behandeling.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat de doorzendplicht van art. 6:15 Awb Pro niet van toepassing was omdat het hier ging om een civiele procedure en niet om bezwaar- of beroepschriften tegen bestuursbesluiten. De stelling dat het beroepschrift tijdig bij de sector bestuursrecht was ingediend, was een ongeoorloofd novum in cassatie. De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het middel tot cassatie moest worden verworpen.
Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn bij wijziging van GBA-gegevens.