ECLI:NL:PHR:2002:AE0748
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verdeling van onbelichaamde goodwill bij ontbinding huwelijksgemeenschap van advocatenmaatschap
In deze zaak stond centraal of de door de man als lid van een advocatenmaatschap opgebouwde goodwill bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap betrokken moet worden. Partijen waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd en hadden na echtscheiding de waarde van hun vermogensbestanddelen vastgesteld op 1 januari 1998. De vrouw stelde dat de man een bedrag van fl. 2.238.000,- aan goodwill had opgebouwd, gebaseerd op een inverdienregeling binnen de maatschap, en vorderde vergoeding daarvan.
De rechtbank en het hof oordeelden dat persoonlijke onbelichaamde goodwill, die niet overdraagbaar is en bij overlijden vervalt, geen activum vormt van de huwelijksgoederengemeenschap en dus niet voor verdeling in aanmerking komt. Het hof stelde dat eventuele goodwill niet als zelfstandige waarde realiseerbaar is en dat ook de door de vrouw aangevoerde zakelijke goodwill onvoldoende aannemelijk was. De vrouw voerde aan dat de goodwill van de maatschap wel degelijk een goed in de zin van art. 3:1 BW Pro is, maar dit werd door de Hoge Raad verworpen.
De Hoge Raad bevestigde dat goodwill die niet overdraagbaar is en niet als zelfstandige waarde kan worden gerealiseerd, niet kan worden betrokken bij de verdeling. Daarnaast kan op grond van redelijkheid en billijkheid slechts onder bijzondere omstandigheden aanspraak op vergoeding van niet realiseerbare goodwill ontstaan, waarvoor in deze zaak onvoldoende grond bestond. De conclusie van de advocaat-generaal was om het cassatieberoep te verwerpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat onbelichaamde goodwill niet kan worden betrokken bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.