1 De brief bevindt zich niet in het dossier. Zie de wel in het dossier opgenomen brief van 12 oktober 1999.
2 Over de impliciete standpuntbepaling in het algemene bestuursrecht is niet veel geschreven. Het vertrouwensbeginsel is niet gecodificeerd in de Algemene wet bestuursrecht. De reden hiervoor is dat het buitengewoon lastig is om het vertrouwensbeginsel te codificeren (Tekst & Commentaar Algemene wet bestuursrecht, Kluwer - Deventer - 2001, blz. 47). Voor algemene aspecten over het vertrouwensbeginsel verwijs ik naar Van Wijk/Konijnenbelt/Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, Elsevier - Den Haag - 1999, § 7.37 ev. en Nicolaï, Olivier, Van der Vlies, Damen, Schueler, Bestuursrecht, Factotum - Amsterdam - 1997, § 664.
3 Voor een overzicht van de eerdere jurisprudentie verwijs ik naar Happé, Drie beginselen van fiscale rechtsbescherming, Kluwer - Deventer - 1996, blz. 227
4 Zie ook het arrest van 11 juni 1997, nr. 32042, BNB 1997/382 m.nt. Happé
5 Conclusie voor HR 23 juni 1982, nr. 20355, BNB 1983/15, m.nt. Scheltens, blz.71, regels 22 e.v.
6 Hieltjes, WFR 1991, blz. 981 e.v.
7 Hieltjes betrekt de goede trouw bij de werking van het vertrouwensbeginsel in navolging van Geppaart, Van Dijckbundel, Deventer 1988, blz. 166, 167. Ik betwijfel of de goede trouw een zelfstandige functie heeft bij de toepassing van het vertrouwensbeginsel. Omdat vertrouwen slechts gewekt kan worden indien de belastingplichtige redelijkerwijs een gedraging van de Inspecteur op een bepaalde manier mag begrijpen, de perceptie van de belastingplichtige wordt geobjectiveerd, zal de goede trouw zelden of nooit een rol hoeven spelen.
8 Happé, a.w. blz. 230
9 Happé, a.w. blz. 232
10 nr. 30935, FED 1997/191 (BNB 1997/17)
11 Happé, a.w. blz. 235. Vgl. Engwerda, Beginselen van behoorlijk bestuur in het belastingrecht, Sdu - Amersfoort - 1999, blz. 28
12 Happé, a.w. blz. 236
13 Engwerda, a.w. blz. 28
14 Smit gebruikt voor vertrouwen dat gewekt wordt door het gedrag van de Inspecteur in een eerder jaar de term verticale gelijkheid. De parallel met het gelijkheidsbeginsel scherpt in dat van (verboden) terugwerking geen sprake is (Smit, FED 1990/84).
15 Vgl. het geval dat de Inspecteur voor een later jaar zijn standpunt weloverwogen anders - voor de belastingplichtige gunstiger - bepaalt dan in een eerder jaar, de situatie dat later een begunstigende resolutie wordt gepubliceerd (HR BNB 1987/161, m.nt. Scheltens).
16 Zie ook paragraaf 2.4
17 Onbetwistbaar is dat het gedrag van de Inspecteur in sociaal-communicatieve zin (terminologie van Van Brunschot in diens noot onder HR BNB 1984/127) sterk te wensen overlaat.
18 Smit betoogt in zijn noot in FED 1993/180 onder HR 10 februari 1993 (BNB 1993/115): "De werking van het vertrouwensbeginsel sluit in veel gevallen naadloos aan bij die van het zorgvuldigheidsbeginsel. Een belastingplichtige die te goeder trouw afgaat op onzorgvuldig bestuursoptreden moet in beginsel door het recht worden beschermd, indien het bestuur naderhand de eigen fouten wil goedmaken ten koste van diezelfde belastingplichtige.". Naar aanleiding van dit betoog merk ik op dat de bescherming tegen de onzorgvuldigheid van het bestuur i.c. zijn uitwerking vindt in de omstandigheid dat de Inspecteur zijn onzorgvuldigheid - het volgen van de aangifte 1998 - niet door middel van navordering op belanghebbende kan verhalen. Een verderstrekkende bescherming is te veel van het goede.