ECLI:NL:PHR:2002:AE1172

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01085/01
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering straf wegens overschrijding redelijke termijn cassatieprocedure

Verzoeker werd door het gerechtshof Arnhem veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een geldboete van ƒ 1.000,- subsidiair 20 dagen hechtenis wegens het beschikken over wapens en munitie bij een schietsportvereniging.

Er werden geen middelen van cassatie door of namens verzoeker voorgesteld, maar ambtshalve werd aandacht gevraagd voor de overschrijding van de door de Hoge Raad bepaalde inzendingstermijn. Het cassatieberoep werd ingesteld op 29 december 1999, maar de stukken kwamen pas op 31 mei 2001 binnen, wat een overschrijding van negen maanden betekent op een termijn van acht maanden.

Deze overschrijding leidde tot een te lange duur van de cassatieprocedure, namelijk circa 28 maanden, terwijl de behandeling per instantie in beginsel binnen 24 maanden dient te geschieden volgens art. 6 EVRM Pro. Er waren geen bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigden.

Daarom oordeelt de conclusie dat de straf die het hof heeft opgelegd moet worden verminderd, waarbij de bestreden uitspraak wordt vernietigd voor zover het de strafoplegging betreft. Het beroep wordt voor het overige verworpen. De conclusie strekt tot vernietiging en strafvermindering door de Hoge Raad.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor de strafoplegging en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Conclusie

Nr. 01085/01
Mr Jörg
Zitting: 26 maart 2002
Conclusie inzake:
[Verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is bij arrest van 21 december 1999 door het gerechtshof te Arnhem wegens - kort gezegd - het op Schietsportvereniging te Hedel beschikken over wapens en munitie, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, alsmede tot een geldboete van ƒ. 1.000,- subsidiair 20 dagen hechtenis.
2. Door of namens verzoeker zijn geen middelen van cassatie voorgesteld. Deze zaak hangt samen met de zaaknrs. 01084/01 en 01086/01 in welke zaken ik heden eveneens concludeer.
3. Ambtshalve vraag ik de aandacht voor het volgende.
4. Op 29 december 1999 heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 31 mei 2001 bij de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de door de Hoge Raad op acht maanden bepaalde inzendingstermijn met negen maanden overschreden. Een uitspraak op dit cassatieberoep is niet eerder dan in mei 2002 te verwachten. Dit betekent een tijdsverloop van ongeveer 28 maanden tussen het instellen van het cassatieberoep en de uitspraak daarop, terwijl de behandeling van een zaak per instantie naar het oordeel van Uw Raad in beginsel binnen 24 maanden dient te zijn afgerond.
5. In aanmerking genomen dat de Hoge Raad niet binnen 24 maanden na het instellen van het cassatieberoep uitspraak op dit cassatieberoep zal doen en dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een dergelijk tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen, moet worden geoordeeld dat de behandeling van de zaak in cassatie niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Bijzondere omstandigheden die zouden meebrengen dat niet de hoofdregel bij redelijke termijnverzuim behoort te worden toegepast heb ik niet gevonden. Aan verzoeker behoort daarom een lagere straf te worden opgelegd dan het hof hem heeft opgelegd, voordat sprake was van overschrijding van die termijn in de cassatiefase.
6. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt ertoe dat Uw Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, zelf de straf zal verminderen, en het beroep voor het overige zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG