ECLI:NL:PHR:2002:AE1172
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vermindering straf wegens overschrijding redelijke termijn cassatieprocedure
Verzoeker werd door het gerechtshof Arnhem veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een geldboete van ƒ 1.000,- subsidiair 20 dagen hechtenis wegens het beschikken over wapens en munitie bij een schietsportvereniging.
Er werden geen middelen van cassatie door of namens verzoeker voorgesteld, maar ambtshalve werd aandacht gevraagd voor de overschrijding van de door de Hoge Raad bepaalde inzendingstermijn. Het cassatieberoep werd ingesteld op 29 december 1999, maar de stukken kwamen pas op 31 mei 2001 binnen, wat een overschrijding van negen maanden betekent op een termijn van acht maanden.
Deze overschrijding leidde tot een te lange duur van de cassatieprocedure, namelijk circa 28 maanden, terwijl de behandeling per instantie in beginsel binnen 24 maanden dient te geschieden volgens art. 6 EVRM Pro. Er waren geen bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigden.
Daarom oordeelt de conclusie dat de straf die het hof heeft opgelegd moet worden verminderd, waarbij de bestreden uitspraak wordt vernietigd voor zover het de strafoplegging betreft. Het beroep wordt voor het overige verworpen. De conclusie strekt tot vernietiging en strafvermindering door de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor de strafoplegging en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.