1 Ik heb de overwegingen in het vonnis van de rechtbank onder "Het oordeel van de rechtbank in hoger beroep" min of meer naar eigen inzicht genummerd van 1 t/m 14.
2 Waaronder [eiser], zie o.a. prod. 6 bij de conclusie van repliek in eerste aanleg.
3 Deze formulering is kennelijk ontleend aan HR 26 september 1997, NJ 1998, 20, rov. 3.5.
4 Voorbeelden daarvan zijn door de partijen op ruime schaal aangewezen. Ik noem uit de geciteerde voorbeelden HR 24 april 1998, NJ 1998, 621, rov. 3.4; HR 29 september 1995, NJ 1996, 89, rov. 3.2; HR 25 februari 1994, NJ 1994, 450, rov. 3.2 ; HR 16 april 1993, NJ 1993, 367, rov. 4.5; HR 7 juni 1991, NJ 1991, 708, rov. 3.3.1.
5 HR 24 september 1999, NJ 1999, 755 (zie vooral rov. 3.7); HR 25 februari 1994, NJ 1994, 450. Zoals in alinea 12 nader te bespreken, denk ik dat in deze zaken argumenten van verkeersbehoefte en/of (on)zorgvuldigheid aan de kant van de werknemer een beslissende (zij het uit de beslissingen niet zeer duidelijk naar voren komende) rol hebben gespeeld. Het is echter ook vaste rechtspraak - die eveneens in de al aangehaalde beslissingen tot uiting komt - dat louter stilzitten van de rechthebbende op zichzelf geen beroep op rechtsverwerking kan rechtvaardigen. De zojuist aangehaalde beslissingen laten echter zien dat er, onder omstandigheden, maar heel weinig aan verdere gedragingen van de rechthebbende vereist kan zijn, om diens stilzitten overigens als basis voor rechtsverwerking te aanvaarden; zie ook HR 29 november 1996, NJ 1997, 157.
6 HR 15 januari 1999, NJ 1999, 241, rov. 3.5; HR 3 oktober 1997, NJ 1998, 86, rov. 4.2; HR 30 mei 1997, NJ 1997, 544, rov. 3.3.5; HR 8 december 1989, NJ 1990, 474, rov.3.2.
7 Konijn, SR 2001, p. 195 e.v.; Tjittes, NTBR 1999, p. 193 e.v..
8 Zie Asser-Hartkamp 4-II (2001), nrs. 320 e.v.; Brunner-De Jong, Verbintenissenrecht Algemeen (1999), nrs. 33 en 289; Tjittes, Mon. Nieuw BW A6b, p. 19; en de verdere bronnen die deze schrijvers aangeven.
9 Zie nog onlangs HR 14 december 2001, rechtspraak.nl LJN nr. AD4504, rov. 3.4.3.
10 Zo wijzen Konijn t.a.p. en A-G Spier, conclusie voor HR 3 september 1999, NJ 1999, 734 onder nr. 3.32, er op dat werknemers de neiging zullen hebben om tijdens hun dienstverband betwiste aanspraken te laten rusten, omdat - kort gezegd - het ondernemen van actie tot repercussies zou kunnen leiden. Ik merk in dit verband op dat het mij maatschappelijk bepaald niet onwenselijk lijkt, dat werknemers niet genoodzaakt worden om hun werkgevers voortvarend aan te spreken, op straffe van verlies van hun aanspraken wegens rechtsverwerking. Zo wordt zowel de betrokkenen als de samenleving als geheel, waarschijnlijk heel wat aan strijd en onvrede bespaard. (Soortgelijke overwegingen gelden trouwens voor potentiële procespartijen in het algemeen - de wenselijkheid dat men conflictstof niet te lang laat rusten, heeft onmiskenbaar ook een keerzijde).
11 Zie o.a. Brunner-De Jong, a.w. nr. 290, met verdere verwijzingen. Ik noem daarnaast Du Perron, Bb 1997, p. 151.
12 Zie o.a. Tjittes, Kwartaalbericht Nieuw BW 1991, p. 110.
13 Waar een zorgvuldigheidsnorm zoals hier bedoeld veronachtzaamd is, zal vaak (ook) sprake zijn van onredelijke benadeling of verzwaring van de positie van de debiteur, een andere uit de hoger aangehaalde rechtspraak blijkende oorzaak die tot rechtsverwerking kan leiden. Ik begrijp de in deze zaak bestreden beslissing van de rechtbank echter zo, dat daarin het beroep op rechtsverwerking alleen aan de hand van het (volgens de rechtbank) bij Kimberly-Clark gewekte vertrouwen is beoordeeld, en niet aan de hand van benadeling of verzwaring van Kimberly-Clark's positie (waarover Kimberly-Clark wel het een en ander gesteld heeft, zie ook voetnoot 18).
14 De beschouwingen in deze conclusie zijn vanzelfsprekend betrokken op het te beoordelen geval. Ik onderken graag dat er omstandigheden denkbaar zijn die andere uitzonderingen op de hier verdedigde vuistregels kunnen rechtvaardigen - maar die zijn in deze zaak niet aan de orde, zodat ik daaraan mag, en ter wille van enige beknoptheid ook moet voorbijgaan.
15 Zie voor gegevens al. 46 van de Memorie van Antwoord.
16 In dat opzicht zie ik bijvoorbeeld verschil met de zaak uit HR 25 februari 1994, NJ 1994, 450 m.nt. PAS: bij in de dagelijkse praktijk genomen besluiten over functie-indeling, zie ik wel ruimte voor een verkeersbehoefte aan duidelijkheid op "bekwame" termijn; met dien verstande dat dat niet geldt voor de bevoegdheid van de werknemer om de juistheid van de functie-indeling met effect voor de toekomst ter discussie te stellen. Op dat laatste punt liet de Hoge Raad in (rov. 3.7 van) deze beslissing het vonnis van de lagere rechter dan ook niet in stand. De werkgever die een besluit neemt zoals Kimberly-Clark in deze zaak heeft gedaan, heeft misschien (ook) wel behoefte aan duidelijkheid op afzienbare termijn - die behoefte zal trouwens bijna altijd wel bestaan - maar heeft niet, zoals in het arrest uit 1994 het geval was, een vergelijkbare legitieme aanspraak op een duidelijke opstelling van zijn werknemers. Er is in dienovereenkomstig mate minder aanleiding om een zorgvuldigheidsverplichting aan de kant van de werknemers aan te nemen.
17 Of de voor rechtsverwerking in aanmerking genomen omstandigheden aan de crediteur toerekenbaar moeten zijn wordt overigens betwijfeld, zie Barendrecht, WPNR 6223, p. 356. Ik geloof dat dat in deze zaak geen rol kan spelen, en laat de kwestie daarom rusten.
18 Kimberly-Clark heeft echter nog andere feiten aan haar beroep op rechtsverwerking ten grondslag gelegd, die door de rechtbank (voorzover uit het bestreden vonnis blijkt) niet in de beoordeling zijn betrokken (zie voor dergelijke feiten bijvoorbeeld de alinea's 21 - 23 van de Memorie van Grieven). Bij eventuele vernietiging van de beslissing van de rechtbank zullen ook deze feiten (en wat [eiser] daar tegen in heeft gebracht) in de te geven verdere beoordeling in aanmerking moeten worden genomen.