ECLI:NL:PHR:2002:AE1533
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de betekenis van een sociaal plan bij kennelijk onredelijk ontslag
In deze zaak staat centraal welke betekenis de rechter moet toekennen aan een sociaal plan bij de beoordeling van een kennelijk onredelijk ontslag volgens art. 7:681 BW Pro. De werknemer, sinds 1984 in dienst, werd ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen in het kader van een reorganisatie. Het ontslag volgde na een ontslagaanvraag bij de Regionaal Directeur Arbeidsvoorziening en een sociaal plan dat met vakorganisaties was overeengekomen, maar niet door de vakbond van de werknemer zelf was ondertekend.
De kantonrechter en rechtbank oordeelden dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was, mede omdat het sociaal plan een redelijke voorziening bood en de werknemer onvoldoende bijzondere omstandigheden had gesteld om daarvan af te wijken. De Hoge Raad bevestigt dat de rechter bij de beoordeling van kennelijk onredelijk ontslag een marginale toets toepast en dat het sociaal plan een belangrijke indicatie vormt voor de redelijkheid van de vergoeding, mits het plan schriftelijk met voldoende representatieve vakorganisaties is overeengekomen.
De Hoge Raad benadrukt dat een ontslag dat conform een sociaal plan verloopt slechts als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt indien het plan onvoldoende tegemoetkomt aan bijzondere, individuele omstandigheden van de werknemer die zodanig zijn dat de werkgever de werknemer niet met anderen mag vergelijken. De rechter moet zelfstandig oordelen over de redelijkheid van het ontslag en mag zich niet uitsluitend op het sociaal plan of de beoordeling van de RDA verlaten.
Ten aanzien van de financiering van het sociaal plan oordeelt de Hoge Raad dat het binnen de beleidsvrijheid van de werkgever ligt om te bepalen hoe de uitvoering wordt gerealiseerd, tenzij de werknemer aannemelijk maakt dat de werkgever onredelijk heeft gehandeld. Ook omstandigheden die zich na het ontslag voordoen, zoals verkoop van activa, zijn in beginsel niet relevant voor de beoordeling van het ontslag tenzij zij aanwijzingen geven voor wat op het moment van ontslag verwacht kon worden.
De conclusie van de Advocaat-Generaal is dat het beroep van de werknemer moet worden verworpen, waarmee het oordeel van de lagere rechters dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was, wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het ontslag van de werknemer is niet kennelijk onredelijk omdat het sociaal plan een redelijke voorziening biedt en bijzondere individuele omstandigheden ontbreken.