1 Gevolmachtigd agent van de brandverzekeraar.
2 Zie voor de feiten het vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 juni 1998, rov. 1. Het hof is blijkens rov. 2 van het bestreden arrest van de door de rechtbank vastgestelde feiten uitgegaan.
3 Royal Nederland is slechts voor 35% op de polis betrokken. De overige betrokken verzekeraars zullen zich aan de uitspraak in deze procedure conformeren. Zie conclusie van antwoord onder 8 en conclusie van repliek onder 4.
4 In de berekeningswijze, zoals door [verweerster] in haar vordering gevolgd, zou óók het onder het eigen risico vallende deel van de door [verweerster] aan [betrokkene] verschuldigde hoofdsom hebben bijgedragen aan de door [verweerster] aan [betrokkene] verschuldigde en door Royal Nederland (zij het slechts voor 35%) te vergoeden wettelijke rente. De rechtbank heeft het te vergoeden rentebestanddeel berekend, na het eigen risico op de verschuldigde hoofdsom in mindering te hebben gebracht en na in verband met het percentage waarvoor Royal Nederland op de polis is betrokken, een factor van 0,35 te hebben toegepast.
5 Memorie van grieven, grief I, in het bijzonder nrs. 2.12 t/m 2.16; pleitnota in appel nrs. 2.12, 2.13 en 2.17 e.v..
6 [Verweerster] heeft aangevoerd dat niet sprake is van één transactie, dat de brand en niet de ondeugdelijk ingebouwde open haard oorzaak is van de schade en voorts dat een beroep van Royal Nederland op art. 10.3 jo 10.4 van de polisvoorwaarden, zoals zij die uitlegt, met de redelijkheid en billijkheid in strijd is. Zie memorie van antwoord, nrs. 5 t/m 13, en de pleitnota in appel.
7 Het hof heeft aldus een eigen uitleg aan de "vervangingskostenclausule" gegeven, die niet door één van de partijen is verdedigd. Overigens wordt - terecht - niet geklaagd dat het hof met deze eigen interpretatie van de polis buiten de grenzen van de rechtsstrijd zou zijn getreden. Het stond het hof vrij de tussen partijen geldende overeenkomst zelfstandig uit te leggen, nu partijen over de uitleg van deze overeenkomst van mening verschilden. Zie Asser-Hartkamp 4-II, 2001, nr. 288 met verdere vindplaatsen.
8 Zie bijv. HR 31 maart 2000, NJ 2000, 357, rov. 3.3; A-G Strikwerda, nr. 14, voor HR 6 november 1998, NJ 1999, 220 m.nt. MMM; HR 31 oktober 1997, NJ 1998, 98, rov. 3.8; HR 24 september 1993, NJ 1993, 760, rov. 3.4; HR 11 november 1988, NJ 1990, 440; Asser-Clausing-Wansink (1998), nrs. 179-187.
9 Zie ook HR 18 oktober 1996, NJ 1997, 326 m.nt. MMM over die zelfde opzetclausule. Zie verder bijv. HR 28 november 1997, NJ 1999, 170.
10 J.H. Wansink, De algemene aansprakelijkheidsverzekering, 1994, nrs. 3.5.1-3.5.4. Zie voorts J.H. Wansink, Het ondernemersrisico en de grenzen van verzekerbaarheid in de algemene aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven, in: Jaardossier Onderneming & Verzekering, 1992, p. 92-101 en R.C. Insinger, De produktenaansprakelijkheidsverzekering, in: Het Verzekerings-Archief 1980, p. 157-177.
11 J.H. Wansink, o.c., nr. 3.5.1, voorbeeld 4.
12 Zie Asser-Clausing-Wansink, 1998, nr. 186.
13 J.H. Wansink, o.c., nrs. 3.1 en 3.5.2.
14 Men zou hier nog kunnen denken aan een toepassing van het zogenaamde 'contra-proferentem'-beginsel, zij het dat dit beginsel niet met zoveel woorden is genoemd en van een zuivere toepassing daarvan ook geen sprake zou zijn. De litigieuze voorwaarden zijn immers van de makelaar van verzekerde en niet van de betrokken verzekeraars afkomstig. Ook wordt het beginsel in het bijzonder van toepassing geacht in verband met overeenkomsten met consumenten. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Vast staat immers dat [verweerster] is meeverzekerd op de polis van haar moedervennootschap Koninklijke Volker Stevin N.V.. Zie over het contra-proferentem-beginsel Asser-Hartkamp 4-II, 2001, 287 met daar genoemde literatuur; Asser-Clausing-Wansink, 1998, nrs. 182, 183 en met name 184. In Asser-Clausing-Wansink, nr. 184, wordt het standpunt ingenomen dat toepassing van de contra-proferentem-regel in veel gevallen ook gerechtvaardigd kan zijn ten gunste van een professionele verzekerde.
15 Schriftelijke toelichting mr. Sillevis Smitt, p. 12, laatste alinea.
16 Zie bijv. HR 11 november 1988, NJ 1989, 362 m.nt. MMM en Asser-Clausing-Wansink, 1998, nr. 181.
17 Dit oordeel strookt met de opvatting van J.H. Wansink, o.c., p. 174 en 175.