1 Ik plaats het woord tussen aanhalingstekens omdat ook "vaste" aanneemsommen in de praktijk vaak een aantal variabelen inhouden, zoals indices voor de ontwikkeling van lonen en (andere) prijzen, stelposten en verrekeningsmogelijkheden wegens meer- of minder werk.
2 [Verweerders] bezwaren worden o.a. beschreven bij de Conclusie van Antwoord in conventie, al. 10 en 11, en in de daar genoemde prod. 3 en 4.
3 Vonnis van 29 januari 1998, rov. 4.2.
4 Deze opmerking wil in geen enkel opzicht kritiek aan het adres van de partijen suggereren. Voor het feit dat partijen dit punt kennelijk van minder belang achten dan ik, zijn alleszins plausibele redenen voorstelbaar.
5 [Eiser] beroep op deze tekortkoming kon daarbij voor de uiteindelijke beslissing gewicht in de schaal leggen, ook als zijn opvatting over de inhoud van de overeenkomst ondeugdelijk zou blijken. Ook voor de rechtsverhouding op basis van een aannemingsovereenkomst van een andere inhoud dan door [eiser] gesteld, was immers relevant of [verweerder] de toezegging om de zevende termijn te betalen toerekenbaar niet was nagekomen - al zouden de rechtsgevolgen dan uiteraard anders zijn dan wanneer van [eisers] uitleg van de overeenkomst werd uitgegaan; zie in dit verband bijvoorbeeld rov. 4.3 van het rechtbankvonnis van 29 januari 1998. Het is dus niet zo dat een beslissing in [eisers] nadeel over de eerste kwestie, het belang aan de tweede kwestie ontnam.
6 Nu in het huidige bewijsrecht het leerstuk van de "onsplitsbare bekentenis" is verlaten lijkt mij dat hierover nauwelijks twijfel kan bestaan. Ik kan daarlaten of de afschaffing van de aan dit leerstuk ontleende regels wel zo heilzaam is geweest, als veelal pleegt te worden aangenomen. In de onderhavige zaak zou toepassing van dat leerstuk ook volgens mij geen gelukkige zaak zijn geweest.
7 Waarbij misschien een rol heeft gespeeld dat [eiser] het oordeel van de rechtbank over zijn onvoldoende onderbouwing van dit gegeven in appel niet expliciet aan de orde heeft gesteld (al keerde zijn eerste grief zich daar impliciet wel tegen). [Verweerder] heeft in appel overigens wèl benadrukt dat van de kant van [eiser] niets over dit onderdeel van de beslissing(en) van de rechtbank was aangevoerd (o.a. Memorie van Antwoord, p. 10 - 11).
8 Namelijk de al genoemde offerte, een brief van [eisers] advocaat van 18 november 1993, en een op 10 mei 1993 gedateerde verklaring van [eiser] zelf en van Borst.
9 Zie hierover bijvoorbeeld Ras - Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken (2001), nrs. 16 en 61 en Snijders-Wendels, Civiel Appel (1999), nrs. 188 en 241 - 243.
10 Althans: als men ervan uitgaat dat de overeenkomst van partijen geen regie-overeenkomst was. De argumenten waarmee Grief 2 werd ondersteund, lijken mede te berusten op het door het Hof verworpen uitgangspunt dat er wèl een regie-overeenkomst was.
11 Zie o.a. p. 8 (3e, 4e en 5e volle alinea's) en p. 14 van de Memorie van Antwoord.
12 Als voorbeelden van de vele beslissingen waaruit dat blijkt, noem ik HR 2 november 2001, rechtspraak.nl LJN nr. AD3942, rov. 3.6; HR 7 september 2001, rechtspraak.nl LJN nr. AB2555, rov. 3.2; HR 22 september 2000, NJ 2001, 348 m.nt. WMK, rov. 3.12; HR 12 mei 2000, NJ 2000, 673, rov. 3.4; HR 10 december 1999, NJ 2000, 637, rov. 3.3; HR 9 januari 1998, NJ 1999, 413 m.nt. HJS, rov. 3.6; HR 16 oktober 1998, NJ 1998, 899, rov. 3.4.
13 De schriftelijke toelichting namens [verweerder] geeft er geen blijk van dat dit argument in het middel(onderdeel) is onderkend. De schriftelijke toelichting namens [eiser] wijst daar trouwens ook niet op.