ECLI:NL:PHR:2002:AE2146
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepassing art. 7A:1612 BW bij gebruiksrechten huurder op landgoed Queekhoven
In deze zaak staat centraal of het door de huurder toegestane houden van enkele dieren op een deel van het landgoed Queekhoven valt onder de rechten en verplichtingen die op grond van art. 7A:1612 BW overgaan op de opvolgende verhuurder. De huurovereenkomst betreft woonruimte, met een beding dat het houden van dieren die overlast veroorzaken verboden is, maar het houden van een waakhond, pluimvee en twee schapen op het eiland in het park is toegestaan.
De Hoge Raad bevestigt dat alleen rechten en verplichtingen die onmiddellijk verband houden met het gebruik van het gehuurde tegen betaling onder art. 7A:1612 BW vallen. In dit geval is het houden van de dieren nabij de woning een activiteit die direct verband houdt met het woongebruik en dus onder het huurgenot valt. De vraag of uitzonderlijke omstandigheden een ander gebruiksrecht rechtvaardigen, vereist feitelijke waardering die in cassatie niet kan worden getoetst.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de bewijslast voor het aantonen van uitzonderingen op deze regel bij de partij ligt die zich daarop beroept, hier de verhuurder. Hoewel de rechtbank een onjuiste regel toepaste voor de bewijslastverdeling, kwam zij tot het juiste resultaat. Het cassatieberoep van de verhuurder wordt daarom verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het gebruiksrecht van de huurder op het houden van schapen en pluimvee wordt bevestigd.