1 Ik noem als voorbeelden HR 10 juni 1988, NJ 1988, 873 (huisdierenverbod) en HR 29 oktober 1993, NJ 1994, 107 met als vervolg daarop HR 1 november 1996, NJ 1997, 134 (hanengekraai). HJEG 12 juni 2001, NJ 2002, 23 had als inzet het houden van vier schapen en twee geiten.
2 De cassatiedagvaarding geeft inhoudelijk nagenoeg dezelfde weergave van de feiten.
3 Uit de vaststellingen van de kantonrechter sub m) en n) in de hier besproken rov. uit het vonnis van de kantonrechter van 23 december 1998 blijkt hoe de stand van zaken met betrekking tot het houden van deze dieren in feite is (of beter: hoe die was toen de kantonrechter vonnis wees).
4 Voorbeelden van dergelijke "gemengde" overeenkomsten (waarbij overigens toepassing van art. 7A:1612 BW niet aan de orde was) zijn te vinden in HR 26 februari 1993, NJ 1993, 581 m.nt. PAS, HR 6 mei 1988, NJ 1989, 51 m.nt. WHH en HR 19 juni 1987, NJ 1988, 72 PAS.
5 HR 11 december 1981, NJ 1982, 239 m.nt. PAS, rov. 3; in dezelfde zin HR 8 april 1983, NJ 1983, 646, rov. 3.2, HR 2 januari 1987, NJ 1987, 960, rov. 3.2. en HR 21 januari 2000, NJ 2000, 237, rov. 3.5.
6 Handboek Huurrecht (losbl.), Dozy, art. 1612, aant. 7b; Zuidema, Recht voor de huurder (2001), p. 106 e.v.; Dozy-Jacobs, Hoofdstukken Huurrecht voor de Praktijk (1999), p. 155 e.v.; De Mol-Rossel, Praktijkboek Onroerend Goed (losbl.), II C nr. 114, i.h.b. p. II C - 129 e.v.; De Wijkerslooth-Vinke in Compendium Bijzondere Overeenkomsten (1998), p. 168. Een andere maatstaf wordt verdedigd in Asser-Abas 5 - II (supplement 2001), nrs. 95 en 96. Kritisch daarover Dozy-Jacobs, a.w. p. 155, instemmend: Stein, noot bij NJ 1982, 239.
7 De beschouwingen uit de Toelichting bij het Voorontwerp voor boek 7 titel 4 die in de schriftelijke toelichting namens [eiser] (nr. 16) worden aangehaald benaderen het (ook) door mij omarmde standpunt vanuit een iets andere invalshoek, met dezelfde uitkomst.
8 Zo ook Handboek Huurrecht t.a.p. (op blz. Art. 1612 - 25) en Dozy-Jacobs, a.w. p. 156.
9 Een praktijkvoorbeeld werd beoordeeld in Hof 's-Hertogenbosch 9 oktober 1991, WR 1992, 1.
10 Zie bijvoorbeeld Zuidema, a.w. p. 107. Zoals in de schriftelijke toelichting namens [eiser] aangegeven, levert Ktg. Amsterdam 29 september 1995, WR 1996, 34 een voorbeeld op van een dergelijk geval. Zie voor een ander voorbeeld van restrictieve beoordeling van tot de huurovereenkomst te rekenen aanspraken (waarbij overigens geen toepassing van art. 7A:1612 BW aan de orde was) Hof Arnhem 18 december 2001, WR 2002, 27. Ik wil daarbij niet verhelen dat ik over de juistheid van deze laatste beslissing twijfel.
11 Of dat hier feitelijk werkelijk het geval is is niet van belang - het gaat mij om het voorbeeld.
12 Zowel de rechtbank in het hier besproken oordeel als [eiser] in de cassatiedagvaarding in alinea 19, lijken ervan uit te gaan dat het steeds alleen de huurder is die er belang bij kan hebben, zich op de werking van art. 7A:1612 BW te beroepen. Er zijn echter ook gevallen te bedenken waarin (vooral) de opvolgend verhuurder daarbij belang heeft. De verplichting tot het verlenen van bepaalde diensten, zoals [verweerder] c.s. die in dit geval hadden aanvaard, levert daarvan een voorbeeld op. Dat ook deze mogelijkheid bestaat (dus: dat juist de verhuurder belang heeft bij een beroep op art 7A:1612 BW), maakt de hier door de rechtbank gehanteerde regel én de t.a.p. door [eiser] verdedigde gedachte nog minder aannemelijk.
13 Zie bijvoorbeeld Asser, Bewijslastverdeling (1992), Mon. Nieuw BW A24 p. 93 - 94, HR 10 november 1989, NJ 1990, 273 m.nt. PAS, rov. 3.2 en HR 22 september 2000, NJ 2000, 631, rov. 5.2.
14 Een "klassiek" voorbeeld van een beding dat naar zijn aard voor een andere beoordeling in aanmerking komt, lijkt mij het bij Abas t.a.p. genoemde beding dat de verhuurder verplichtte bepaalde effecten die hij aan de huurder verkocht had terug te kopen, HR 5 mei 1927, NJ 1927, p. 1183 m.nt. EMM.