ECLI:NL:PHR:2002:AE2181
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling matiging loonvordering en wettelijke verhoging na vernietiging en verwijzing
Deze zaak betreft een arbeidsrechtelijk geschil over de matiging van een loonvordering en de wettelijke verhoging wegens vertraging in betaling na ontslag op staande voet. De werknemer, werkzaam als shovelmachinist, werd in 1990 ontslagen en vorderde loonbetaling vermeerderd met wettelijke verhoging. De kantonrechter wees de eis af, maar in hoger beroep werd het ontslag vernietigd en werd de werkgever veroordeeld tot betaling met matiging van de loonvordering.
De Hoge Raad heeft in eerdere arresten de grenzen van de matigingsbevoegdheid en de taak van de verwijzingsrechter na cassatie verduidelijkt. Hierbij is vastgesteld dat de verwijzingsrechter gebonden is aan onbestreden beslissingen, maar niet aan beslissingen die voortbouwen op vernietigde uitspraken. Tevens is benadrukt dat de matiging van de wettelijke verhoging losstaat van de matiging van de loonvordering en dat de rechter bij matiging van de wettelijke verhoging niet mag letten op de omvang van de loonvordering.
In deze procedure heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof onjuist heeft beslist door bepaalde nieuwe gronden van de werkgever buiten beschouwing te laten, terwijl deze ambtshalve aan het oordeel van de rechtbank konden worden ten grondslag gelegd. De zaak is vernietigd en verwezen voor verdere behandeling met inachtneming van deze richtlijnen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling met inachtneming van de richtlijnen over matiging en taak van de verwijzingsrechter.