ECLI:NL:PHR:2002:AE2509
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad beslist over aansprakelijkheid advocaat voor griffierechten en verzet tegen dwangbevel
In deze zaak heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over het verzet van een advocaat tegen een dwangbevel tot betaling van griffierechten over de periode van 7 juli 2000 tot en met 30 juli 2001. De advocaat betwistte primair zijn betalingsplicht en stelde dat de opdrachtgever als primaire betaler moet worden aangesproken. Daarnaast voerde hij aan dat hij niet eerst hoefde te betalen voordat hij van zijn opdrachtgever had ontvangen.
De Hoge Raad verwierp deze bezwaren en bevestigde dat op grond van artikel 16 lid 2 WTBZ Pro advocaten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor griffierechten, naast hun opdrachtgevers. Ook is de griffier niet verplicht eerst de opdrachtgever aan te spreken of een langere betalingstermijn te gunnen. Verder werd het bezwaar dat het verzet niet ontvankelijk zou zijn wegens niet-betaling verworpen, omdat het verzet tijdig en ontvankelijk was ingediend.
De Hoge Raad oordeelde wel dat een aantal nota's onterecht in het dwangbevel waren opgenomen, omdat deze buiten de periode van het dwangbevel vielen of dubbel waren vermeld. Hierdoor werd het te betalen bedrag verminderd met f 6.265,-. Het bezwaar tegen een nota die was ingediend bij een bewindvoerder in een schuldsanering werd ongegrond verklaard, omdat de aansprakelijkheid van de advocaat daardoor niet vervalt.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekte ertoe het verzet gegrond te verklaren voor zover het bedrag aan hoofdsom het bedrag van f 9.990,- te boven ging en voor het overige ongegrond. Dit betekent een gedeeltelijke vermindering van het dwangbevelbedrag.
Uitkomst: Het verzet van de advocaat wordt gegrond verklaard voor het bedrag boven f 9.990,-, met vermindering van het dwangbevelbedrag.