ECLI:NL:PHR:2002:AE2644
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling teruggave inbeslaggenomen geld bij Opiumwetverdenking
Op 1 april 1999 werd een geldbedrag van ƒ 10.627,90 in beslag genomen bij verdachte, die werd aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet. Verdachte werd later veroordeeld voor de verkoop van heroïne en cocaïne. De rechtbank verklaarde het beklag tot teruggave van het geld ongegrond omdat niemand als rechthebbende kon worden aangemerkt.
Verzoeker wijzigde tijdens de procedure zijn standpunt en stelde dat een derde, [betrokkene 1], de rechthebbende was. Uit een proces-verbaal bleek echter dat er tegenstrijdige verklaringen waren over de herkomst van het geld, waarbij ook een vriend uit Tilburg werd genoemd als mogelijke eigenaar van een deel van het bedrag.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven door te concluderen dat verdachte niet als rechthebbende kon worden aangemerkt en dat er geen reden was om de beslissing te vernietigen. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van het beklag tot teruggave van het geld bleef in stand.