ECLI:NL:PHR:2002:AE3345
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling criteria en bevoegdheden bij voorlopig deskundigenonderzoek in civiele procedure
In deze zaak verzocht de eiser een voorlopig deskundigenonderzoek te gelasten om financiële verhoudingen tussen hem en zijn moeder en broer te onderzoeken. De rechtbank wees het verzoek tegen de moeder af wegens onvoldoende aannemelijkheid van beheersdaden, en bepaalde dat de deskundige een gespecificeerde kostenbegroting moest indienen. De eiser stelde ook een maximering van de kosten voor, wat werd afgewezen.
Het hof bekrachtigde de afwijzing van het verzoek tegen de moeder en verwierp de klachten van de eiser. De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had door te stellen dat de eiser bij het verzoekschrift de grondslag van zijn vordering eenduidig moest aangeven. De Hoge Raad bevestigt dat de rechter bij een voldoende gemotiveerd verzoek tot voorlopig deskundigenonderzoek geen discretionaire bevoegdheid heeft om het verzoek af te wijzen.
Ten aanzien van de kostenmaximering bevestigt de Hoge Raad dat de rechter een discretionaire bevoegdheid heeft om de kosten te maximeren, maar dat dit niet zonder meer kan worden geëist. De afwijzing van het verzoek tot maximering is voldoende gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor herformulering van de vragen aan de deskundige, mede gezien het eerdere oordeel van de rechtbank over het ontbreken van beheersdaden door de moeder.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor herformulering van het voorlopig deskundigenonderzoek met behoud van de afwijzing van de kostenmaximering.