ECLI:NL:PHR:2002:AE3382
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid poging rijden onder invloed zonder voertuig in beweging te brengen
In deze zaak stond centraal of het strafbaar is om een poging tot rijden onder invloed te maken zonder dat het voertuig daadwerkelijk in beweging wordt gebracht. Verzoekster werd vrijgesproken van het voltooide delict maar veroordeeld wegens poging tot overtreding van artikel 8, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994.
De Hoge Raad bevestigde dat onder besturen het feitelijk in beweging brengen of houden van het voertuig wordt verstaan, maar dat strafbare poging reeds kan ontstaan bij het begin van uitvoering van het voornemen om te gaan rijden. Dit oordeel is in overeenstemming met de wetsgeschiedenis en jurisprudentie, waarin ook opsporingsbevoegdheden zijn opgenomen voor personen die aanstalten maken een voertuig te besturen.
Het hof had op basis van waarnemingen vastgesteld dat verzoekster het voornemen had om als bestuurder weg te rijden, wat door tijdig politieoptreden werd voorkomen. Het verweer dat niet bewezen kon worden dat zij bestuurder was, werd verworpen. Ook werd geoordeeld dat de ademanalyse rechtmatig was en dat het opleggen van een ontzegging van de rijbevoegdheid passend was. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de strafoplegging.
Uitkomst: Verzoekster is veroordeeld voor poging tot rijden onder invloed met een geldboete en ontzegging van de rijbevoegdheid voor drie maanden.