ECLI:NL:PHR:2002:AE3543
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie bij hernieuwde vervolging zonder nieuwe bezwaren
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof dat verdachte veroordeelde voor medeplegen van moord. De verdediging voerde aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat bij aanvang van de tweede vervolging geen nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255 Sv Pro bekend waren.
De Hoge Raad stelt vast dat na de kennisgeving van niet verdere vervolging in augustus 1998 een getuige zich in april 1999 meldde met een belastende verklaring over de betrokkenheid van verdachte bij de moord. Deze verklaring werd als nieuw bezwaar aangemerkt, waarop een gerechtelijk vooronderzoek (GVO) werd geopend. De verdediging klaagde over het ontbreken van deze verklaring in het dossier en het daarmee schenden van het recht op een eerlijk proces.
De Hoge Raad oordeelt dat de verklaring van de bedreigde getuige, hoewel niet in het dossier opgenomen ter bescherming van zijn identiteit, door de rechter-commissaris is onderzocht en dat de verdediging in het GVO gelegenheid had vragen te stellen. De toetsing door de rechter-commissaris is marginaal en het hof mocht rekening houden met later verkregen informatie binnen het GVO. De niet-ontvankelijkheid van het OM is een beslissing van de vonnisrechter, die hier oordeelde dat nieuwe bezwaren aanwezig waren.
Daarnaast werd het motiveringsklacht over de bewezenverklaring verworpen. De Hoge Raad concludeert dat het hof voldoende gemotiveerd heeft en dat de middelen falen. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van verdachte blijft in stand.