ECLI:NL:PHR:2002:AE3569
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling motivering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na cocaïnehandel
De veroordeelde werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot betaling van ƒ 28.421,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, samen met 141 dagen vervangende hechtenis. De Hoge Raad behandelde een cassatiemiddel dat klaagde over onvoldoende motivering van het hof bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof had het voordeel berekend op basis van een kasopstelling en vastgesteld dat de uitgaven van de veroordeelde niet konden worden verantwoord uit legale inkomsten. De verweren van de veroordeelde dat het geld legaal was verkregen, werden verworpen omdat hij deze niet aannemelijk had gemaakt.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht uit de bewijsmiddelen had afgeleid dat het bedrag uit de bewezenverklaarde strafbare feiten was verkregen. De klacht over het niet aannemelijk maken van de stellingen faalde omdat het hof slechts stelde dat de veroordeelde zijn beweringen niet had onderbouwd, wat minder ver gaat dan het eisen van aannemelijkheid.
Het cassatiemiddel werd verworpen en het vonnis van het hof bleef in stand. De methode van kasopstelling werd niet bestreden en is geaccepteerd als toelaatbaar.
De uitspraak bevestigt dat een schatting van wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van kasopstelling en het ontbreken van aannemelijke tegenbewijs voldoende kan zijn voor ontneming.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel van ƒ 28.421,- blijft in stand.