ECLI:NL:PHR:2002:AE4037

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R02/013HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:151 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt duurzame ontwrichting huwelijk als grond voor echtscheiding

De vrouw en de man zijn sinds 1968 gehuwd. De man verzocht de rechtbank Arnhem om echtscheiding wegens duurzame ontwrichting, wat de vrouw betwistte. De rechtbank stelde vast dat het huwelijk duurzaam ontwricht was en sprak de echtscheiding uit. De vrouw ging in hoger beroep, maar het gerechtshof Arnhem bekrachtigde het vonnis, stellende dat partijen al ruim twee jaar gescheiden leven en de man niet wenst de samenleving te hervatten.

De vrouw stelde in cassatie diverse klachten, waaronder dat de man geen regeling voor de gevolgen van echtscheiding had voorgesteld, dat het hof onvoldoende onderzoek deed naar verzoeningsmogelijkheden en de geloofsovertuiging die echtscheiding zou belemmeren. Ook voerde zij aan dat sinds de wet van 31 mei 2001 de samenwoning niet langer verplicht is, waardoor echtscheiding niet noodzakelijk zou zijn.

De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof dat het huwelijk duurzaam ontwricht is, gegrond is gezien het langdurige gescheiden leven en de weigering van de man tot samenwoning. De klachten over het ontbreken van voorstellen tot regeling en het onderzoek naar verzoening werden verworpen, evenals de stelling over de geloofsovertuiging. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de echtscheiding.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het huwelijk duurzaam ontwricht is en verwerpt het cassatieberoep van de vrouw.

Conclusie

Rekest nr. R02/013
Mr. J. K. Moltmaker
Echtscheiding
Parket, 31 mei 2002
Conclusie inzake
[De vrouw]
tegen
[De man]
Edelhoogachtbaar college,
1 Feiten en procesgang
1.1 Verzoekster tot cassatie (de vrouw) en verweerder in cassatie (de man) zijn op 5 december 1968 met elkaar gehuwd.
1.2 De man heeft zich gewend tot de rechtbank te Arnhem en heeft verzocht, voor zover in cassatie nog van belang, echtscheiding tussen partijen uit te spreken.
1.3 De vrouw heeft betwist dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Tegenover deze betwisting heeft de man gesteld dat de vrouw en hij al twee jaar gescheiden leven en dat hij de samenleving met de vrouw niet wil hervatten. De man heeft bovendien een nieuwe partner met wie hij samenwoont.
1.4 De rechtbank oordeelde dat de duurzame ontwrichting was komen vast te staan en heeft de echtscheiding uitgesproken bij beschikking van 10 mei 2001.
1.5 De vrouw heeft tegen deze beschikking hoger beroep aangetekend bij het gerechtshof te Arnhem.
1.6 Het hof heeft de beschikking van de rechtbank voor zover aan zijn oordeel onderworpen bekrachtigd bij beschikking van 4 december 2001. Met betrekking tot de duurzame ontwrichting heeft het hof het volgende overwogen:
"4.3 Gelet op het feit dat partijen al ruim twee jaar gescheiden leven en dat de man de samenleving en de relatie met de vrouw niet wenst te hervatten, neemt het hof als vaststaand aan dat het huwelijk van partijen duurzaam ontwricht is, zodat de bestreden beschikking in zoverre dient te worden bekrachtigd."
1.7 De vrouw heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen deze beschikking van het hof. De man heeft een verweerschrift ingediend.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1 De klachten
2.1.1 Het cassatiemiddel is gericht tegen rov. 4.3 van de beschikking van het hof. Daarin heeft het hof overwogen dat het als vaststaand aanneemt dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht omdat partijen al twee jaar gescheiden leven en de man de samenleving met de vrouw niet wenst te hervatten.
2.1.2 In nr. 3.6 en 3.7 van het middel wordt geklaagd dat de man zijn verzoek tot echtscheiding niet vergezeld heeft doen gaan van voorstellen tot het regelen van alle gevolgen van de echtscheiding.
2.1.3 In nr. 3.7 en 3.8 van het middel wordt geklaagd dat het hof de mogelijkheden voor verzoening niet heeft onderzocht. Nr. 3.8 bevat bovendien de klacht dat het hof onbesproken heeft gelaten de stelling van de vrouw dat de geloofsovertuiging van partijen in de weg staat aan echtscheiding.
2.1.4 In nr. 3.9 wordt betoogd dat het hof had moeten onderzoeken of de samenleving ondraaglijk is geworden en of geen uitzicht op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen bestaat.
2.1.5 Nu bij wet van 31 mei 2001, Stb. 2001, 275, de verplichting tot samenwoning is opgeheven, had het huwelijk van partijen niet ontbonden hoeven worden om aan de wens van de man tot beëindiging van de samenwoning met de vrouw te voldoen. Daarom had het hof het verzoek van de man moeten afwijzen, aldus ten slotte de klacht in nr. 3.10.
2.2 Beoordeling
2.2.1 De klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Bij de beoordeling van de vraag of een huwelijk duurzaam is ontwricht, komt het vooral aan op de mening van de verzoeker. Als de verzoekende echtgenoot stelt en blijft volhouden dat hij niet met de verwerende echtgenoot kan samenleven, dient dit door de rechter te worden opgevat als een ernstige aanwijzing dat de toestand van duurzame ontwrichting inderdaad bestaat (HR 6 december 1996, NJ 1997, 189). Het oordeel van het hof dat vaststaat dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht nu partijen meer dan twee jaar niet meer samenwonen en de man niet bereid is de samenwoning te hervatten, getuigt evenmin van een onjuiste rechtsopvatting en hoefde niet nader gemotiveerd te worden, zie HR 1 februari 1980, NJ 1980, 318.
2.2.2 De in het middel verdedigde opvatting dat een echtgenoot alleen dan echtscheiding kan verzoeken indien hij tegelijkertijd een voorstel doet ter regeling van alle gevolgen van de echtscheiding, vindt geen steun in het recht.
2.2.3 Op de rechter rust niet de plicht actief de mogelijkheden voor verzoening tussen de echtgenoten te onderzoeken. Het hof hoefde niet te responderen op de stelling van de vrouw dat de geloofsovertuiging van beide partijen aan echtscheiding in de weg staat omdat die stelling niet relevant is voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van duurzame ontwrichting. Dat de vrouw de ontwrichting duldt, heft de toestand van ontwrichting niet op (Personen- en familierecht, S. Wortmann, aant. 2 bij art. 1:151 BW Pro).
3 Conclusie
Het cassatiemiddel ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G i.b.d.