ECLI:NL:PHR:2002:AE4041
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep tegen tussenbeschikking omgangsregeling kinderen
In deze zaak staat centraal of hoger beroep openstaat tegen een beschikking van de rechtbank waarbij een omgangsregeling voor kinderen voorlopig wordt vastgesteld en verdere beslissingen worden aangehouden. De rechtbank had de man het recht gegeven om zijn kinderen onder toezicht te ontmoeten en de Raad voor de Kinderbescherming opdracht gegeven begeleide proefcontacten te organiseren.
De vrouw ging in hoger beroep tegen deze beschikking, maar het hof verklaarde haar beroep niet-ontvankelijk omdat het volgens het hof een tussenbeschikking betrof waartegen geen afzonderlijk hoger beroep mogelijk is. De vrouw stelde in cassatie dat de beschikking onherroepelijk was en dat hoger beroep wel mogelijk moest zijn.
De Hoge Raad bevestigde dat ingevolge art. 429n lid 3 Rv (oud) alleen de rechter kan bepalen dat hoger beroep tegen een tussenbeschikking openstaat. De griffiersmededeling hierover is geen rechterlijke beslissing en kan geen rechten scheppen. De voorlopige omgangsregeling is onderdeel van een voorbereidende procedure en vormt geen deelbeschikking waartegen hoger beroep mogelijk is.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat de vrouw in hoger beroep niet ontvankelijk was. Hiermee wordt het belang van een snelle en efficiënte procedure gewaarborgd, terwijl het mogelijk blijft om tegen definitieve beslissingen hoger beroep in te stellen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat tegen de tussenbeschikking inzake omgangsregeling geen afzonderlijk hoger beroep openstaat en verklaart het cassatieberoep ongegrond.