ECLI:NL:PHR:2002:AE4077

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C02/044HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1780 BWArt. 38 R.O. (oud)Art. 100 R.O. (oud)Art. 407 lid 2 RvArt. 80 R.O.
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot teruggave goederen in bruikleen en vergoeding voorschot na overlijden

Eiser vorderde van de erfgenamen van wijlen erflater de teruggave van een hometrainer, damesfiets, stereotoren met CD-speler en seniorenstoel, dan wel de waarde daarvan, alsmede vergoeding van een voorschot voor een pyjama. Deze goederen waren volgens eiser in bruikleen gegeven aan erflater, die in mei 1999 overleed. De erfgenamen betwistten de bruikleenovereenkomst en de geldlening.

De kantonrechter stelde een comparitie en bewijsopdracht in, waarna na getuigenverhoor en contra-enquête werd geoordeeld dat het bewijs niet was geleverd. De vorderingen werden afgewezen. Eiser stelde cassatie in tegen dit vonnis. De Hoge Raad oordeelde dat klachten over schending van hoor en wederhoor niet ontvankelijk waren en dat de bewijswaardering aan de kantonrechter toekwam.

Verder werd geoordeeld dat eiser voldoende gelegenheid had gehad zich uit te spreken over de bruikleenovereenkomst. De klacht dat eiser niet had hoeven bewijzen dat de goederen zich na overlijden nog in de woning bevonden, was een misverstand. De kostenveroordeling was voldoende gemotiveerd. Het cassatiemiddel werd verworpen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter waarin de vorderingen zijn afgewezen.

Conclusie

C 02/244HR
Mr. F.F. Langemeijer
Zitting 7 juni 2002
Conclusie inzake:
[Eiser]
tegen
1. [Verweerster 1]
2. [Verweerder 2]
Het cassatiemiddel bevat klachten over de waardering van bewijs.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. Bij inleidende dagvaarding d.d. 1 december 2000 heeft [eiser], thans eiser tot cassatie, de erfgenamen van wijlen [erflater], thans gedaagden in cassatie, gedagvaard voor de kantonrechter te Bergen op Zoom. De vordering strekte primair tot afgifte aan [eiser] van een hometrainer, een damesfiets, een stereotoren met CD-speler en een seniorenstoel, zulks met machtiging tot reële executie, en subsidiair tot vergoeding aan [eiser] van de waarde van deze goederen ad f 1.650,- (later verminderd tot: f 1.275,-). Daarnaast werd betaling van een bedrag van f 59,75 gevorderd.
1.2. Aan de eerstgenoemde vorderingen heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat hij deze goederen in bruikleen heeft gegeven aan [erflater]. [Erflater] is op 17 mei 1999 overleden. [Eiser] heeft de erven [...] vergeefs gesommeerd tot teruggave van de goederen (art. 7A:1780 BW). Aan de laatstgenoemde vordering heeft hij ten grondslag gelegd dat hij aan [erflater] f 59,75 heeft voorgeschoten voor de aanschaf van een pyjama. De erven [...] hebben dit bedrag niet terugbetaald.
1.3. De erven [...] hebben de gestelde bruikleenovereenkomst en geldlening betwist. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 21 februari 2001 een comparitie gelast. Nadat deze was gehouden heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 28 maart 2001 [eiser] toegelaten te bewijzen dat hij de genoemde goederen aan wijlen [erflater] in bruikleen heeft verstrekt en dat hij het bedrag van f 59,75 aan wijlen [erflater] heeft voorgeschoten.
1.4. Na getuigenverhoor en contra-enquete heeft de kantonrechter bij vonnis van 7 november 2001 het bewijs niet geleverd geacht en de vorderingen afgewezen.
1.5. [Eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het eindvonnis van de kantonrechter. Tegen gedaagden is in cassatie verstek verleend.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Ingevolge art. 38 (oud) R.O. stond tegen het eindvonnis van de kantonrechter geen hoger beroep open, aangezien de vordering niet meer beliep dan f 3.500,-. Ingevolge art. 100 (oud)(1) R.O. is tegen vonnissen van kantonrechters in burgerlijke zaken slechts op beperkte gronden cassatieberoep toegelaten. In onderdeel 1 wordt allereerst geklaagd dat de kantonrechter de regel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Dat is niet een klacht die in het eerste lid van art. 100 (oud) R.O. wordt genoemd. In zoverre is het middel niet-ontvankelijk. De motiveringsklacht aan het slot van het onderdeel, dat uit alles blijkt dat het vonnis op onvoldoende gronden berust, voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro.
2.2. Overigens zou de klacht over schending van de regel van hoor en wederhoor n.m.m. niet opgaan. De kantonrechter had aan [eiser] bewijs opgedragen van de gestelde bruikleenovereenkomst. [Eiser] heeft zowel vóór als na dat tussenvonnis gelegenheid gekregen zich uit te spreken over de vraag of aan de vereisten voor een bruikleenovereenkomst is voldaan. De kantonrechter heeft deze vraag ontkennend beantwoord en is daarmee gebleven binnen de grenzen van het geschil.
2.3. Het beroep van [eiser] op HR 23 januari 1931, NJ 1931 blz. 673, gaat niet op. In de eerste plaats staat in dit stadium niet vast dat wijlen [erflater] de goederen geruime tijd zonder protest onder zich heeft gehad; in zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. In de tweede plaats valt uit genoemd arrest van de Hoge Raad niet af te leiden dat iemand die geruime tijd goederen van een ander onder zich heeft zonder daartegen te protesteren, geacht wordt een overeenkomst van bruikleen te hebben gesloten. Voor zover het onderdeel klaagt dat [eiser] geen gelegenheid heeft gehad zich uit te spreken over de vraag of de gestelde bruikleenovereenkomst was aangetoond, gaat de klacht niet op: blijkens het proces-verbaal d.d. 11 september 2001, blz. 4, heeft eiser laten weten geen behoefte te hebben aan een conclusie na enquete.
2.4. Voor zover onderdeel 1 de bewijswaardering ter discussie wil stellen faalt het, omdat die waardering was voorbehouden aan de kantonrechter en de juistheid van diens bewijsoordeel in cassatie niet kan worden onderzocht.
2.5. In onderdeel 1 wordt voorts geklaagd dat de kantonrechter [eiser] niet had opgedragen te bewijzen dat de goederen zich na het overlijden nog in de woning van [erflater] bevonden. M.i. is hier sprake van een misverstand. In het tussenvonnis van 28 maart 2001, rov. 3.5, had de kantonrechter - op zichzelf niet onbegrijpelijk - overwogen dat voor de primaire vordering tot afgifte van de goederen van belang is, of gedaagden de goederen nog onder zich hebben. De aangevallen overweging in het eindvonnis heeft kennelijk hierop betrekking en niet op de vraag of de gestelde bruikleenovereenkomst is aangetoond.
2.6. De erven [...] hebben bij conclusie na enquete voor het eerst gesteld dat de waarde van de opgeëiste goederen nagenoeg nihil moet zijn geweest. Het is juist, dat [eiser] in eerste aanleg niet meer in de gelegenheid is geweest op die stelling te reageren. Toch heeft [eiser] geen belang bij deze klacht. Het andersluidende standpunt van [eiser] was voor de kantonrechter immers kenbaar uit de inleidende dagvaarding, waarin [eiser] de waarde heeft vermeld die elk van de opgeëiste goederen volgens hem had. De slotsom is dat onderdeel 1 niet tot cassatie leidt.
2.7. Onderdeel 2 richt zich tegen de wijze waarop de kostenveroordeling is gemotiveerd. Blijkens de vaststelling in rov. 2.4, heeft de kantonrechter [eiser] bij gelegenheid van de comparitie gewaarschuwd voor de consequenties voor de proceskosten, wanneer [eiser] ondanks mogelijke bewijsproblemen de vordering toch zou willen doorzetten. Anders dan het middelonderdeel aanvoert, getuigt een dergelijke waarschuwing niet van vooringenomenheid van de kantonrechter: de waarschuwing berustte op een objectieve waardering van de kans van slagen in verhouding tot de daarvoor te maken proceskosten. Onderdeel 2 faalt.
2.8. Het cassatiemiddel noopt m.i. niet tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Ingevolge Hoofdstuk 15, art. 2 lid Pro 2, van de Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie (wet van 6 december 2001, Stb. 584) blijven de tot 1 januari 2002 geldende bepalingen toepasselijk ten aanzien van de mogelijkheid tot het aanwenden van rechtsmiddelen tegen vonnissen van een kantonrechter die vóór die datum tot stand zijn gekomen. Overigens is in het huidige art. 80 R.O. eenzelfde bepaling opgenomen als in art. 100 (oud).