3) [Verweerster] is onder aanvoering van zes grieven tegen het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij arrest van 15 februari 2001 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd.
Het hof oordeelt dat de standpunten van [verweerster] juist zijn (r.o. 4 onder (1)). Dit impliceert dat de brief van [betrokkene] van 17 maart 2000 moet worden gezien als een uitnodiging tot het doen van een onvoorwaardelijk aanbod dat gedurende een periode van twee weken, te rekenen van 10 april 2000, onherroepelijk was. Nu door [eiser] hierop bij brief van 7 april 2000 een bod is uitgebracht, dat [verweerster] vervolgens binnen de voormelde periode van twee weken heeft aanvaard, is tussen partijen een koopovereenkomst tot stand gekomen. Voorts overweegt het hof dat uit het besprekingsverslag van 21 april 2000 kan worden afgeleid dat de termijn van twee weken niet kan worden opgevat als een periode om nadere onderhandelingen te voeren. Daaraan wordt toegevoegd dat [eiser] ook heeft erkend dat de bespreking van 21 april 2000 geen ruimte voor onderhandelingen bood.
In r.o. 4 onder (2) stelt het hof dat uit het verslag kan worden afgeleid dat tijdens de bespreking van de zijde van [verweerster] is meegedeeld dat het zogenoemde voorlopige koopcontract door de door [eiser] genoemde notaris Dirven kan worden opgesteld en dat in dit contract, naast de gebruikelijke bedingen, zal worden vermeld dat [eiser] bekend is met het bestaan en de inhoud van de gerechtelijke procedures met betrekking tot de aanschrijvingen van de gemeente [...] en [...] en die met betrekking tot de vordering tot ontruiming tegen de zonen van [verweerster]. Voorts blijkt uit het verslag dat is meegedeeld dat in deze akte zal worden opgenomen dat de transportdatum in beginsel op 15 mei 2000 zal worden vastgesteld.
Uit het verslag, zo vervolgt het hof (in r.o. 4 onder (3)), is niet gebleken dat [eiser] toen enig bezwaar tegen de gang van zaken of tegen de inhoud van hetgeen toen is besproken heeft gemaakt. Dit is door [eiser] ook niet gesteld, zodat ervan dient te worden uitgegaan dat partijen op die dag de nadere details hebben besproken en zijn overeengekomen om de koopovereenkomst, waarover toen op hoofdlijnen overeenstemming bestond, te vervolmaken en het daarop volgende transport van het betrokken pand te doen plaatsvinden. Het ontwerp van de koopovereenkomst dat hierna door het betrokken notariskantoor is opgesteld, is, gelet op de inhoud ervan, als een uitvloeisel van en in overeenstemming met deze afspraken aan te merken (r.o. 4 onder (4)).
Verder kan [eiser] als architect ter plaatse in de wereld van het onroerend goed volgens het hof niet 'als vreemdeling in Jeruzalem' worden beschouwd. [Eiser] die al in 1996 van belangstelling voor deze onroerende zaak had blijk gegeven, heeft ook niet nodig gevonden om zich voor of bij de aankoop van het pand door een deskundige (makelaar OG) te doen bijstaan (r.o. 4 onder (5)).
Ten aanzien van het beroep van [eiser] op dwaling en bedrog overweegt het hof als volgt. Met de brief van 17 maart 2000 aan [eiser] heeft [verweerster] in beginsel aan haar informatieplicht voldaan. Zo is in deze brief duidelijk en op in beginsel voldoende wijze melding gemaakt van de aard en de inhoud van de betrokken gerechtelijke procedures. Hieruit blijkt ook niet dat [verweerster], laat staan bewust, essentiële informatie achterwege heeft gelaten of misleidende informatie heeft verstrekt (r.o. 4 onder (6)). [Eiser] dient naar het oordeel van het hof als deskundige op het gebied van onroerend goed ermee bekend te worden verondersteld dat een aanschrijving van gemeentewege een aanwijzing vormt dat het betrokken pand ernstige gebreken vertoont en dat een ontruimingsprocedure waarin door de gedaagde partijen een beroep op huurbescherming wordt gedaan, een ongewis verloop kan hebben waar de gedaagde partijen alle registers plegen open te trekken om een ontruiming te voorkomen (r.o. 4 onder (7)).
Met het uitbrengen van zijn uiterst, onvoorwaardelijk en, gedurende een termijn van twee weken, onherroepelijk bod van 7 april 2000, zonder tevoren een nader onderzoek te doen of nadere inlichtingen bij [verweerster] of [betrokkene] in te winnen dan wel een voorbehoud te maken, heeft [eiser] het risico genomen en aanvaard dat de staat van het pand hem zou tegenvallen en dat het pand ten tijde van het transport niet vrij en ontruimd zou kunnen worden opgeleverd, kortom, behept zou zijn met bijzondere lasten of beperkingen. Het beroep dat [eiser] heeft gedaan op dwaling stuit hierop reeds af (r.o. 4 onder (8)). De (onjuiste) vermelding in het ontwerp van de koopovereenkomst dat [eiser] voornemens is het pand als beleggingsobject te gebruiken, doet aan een en ander niet af (r.o. 4 onder (9)).