AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt verwerping beroep op overmacht bij rijden onder invloed
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem veroordeeld wegens rijden onder invloed van alcohol op 5 juli 2000. Hij kreeg een geldboete van 1.500 gulden, subsidiair 30 dagen hechtenis, en een rijontzegging van negen maanden opgelegd.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat niet alle processtukken aan zijn raadsman waren toegezonden en dat het hof het beroep op overmacht onvoldoende had gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde dat de ontbrekende stukken wel in het dossier zaten en aan de raadsman waren toegezonden. Het hof had het beroep op overmacht terecht verworpen omdat het verhaal van de verdachte niet aannemelijk was en niet werd ondersteund door bewijs.
Verder stelde de verdachte dat de strafmotivering onvoldoende was, maar de Hoge Raad stelde dat het hof niet verplicht was om in hoger beroep de strafmotivering uit eerste aanleg te herhalen en dat de opgelegde straf lager was dan in eerste aanleg. De middelen faalden en de Hoge Raad bevestigde het arrest van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigde de veroordeling tot een geldboete, subsidiaire hechtenis en rijontzegging wegens rijden onder invloed en verwierp het beroep op overmacht.
Conclusie
Nr. 01260/01
Mr Jörg
Zitting 4 juni 2002
Conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is door de enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof te Arnhem bij arrest van 21 maart 2001 wegens - kort samengevat - rijden onder invloed, veroordeeld tot een geldboete van fl. 1.500,= subsidiair 30 dagen hechtenis. Voorts is aan verzoeker de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzegd voor de duur van negen maanden.
2. Namens verzoeker heeft mr. M.H.M. Boekhorst, advocaat te Arnhem, drie middelen van cassatie voorgesteld. De door mr. M.H.M. Boekhorst ingediende schriftuur is bij de Hoge Raad op de laatste dag van de termijn van art. 437, tweede lid, Sv, ingekomen per fax op 2 januari 2002.(1) De schriftuur is in origineel ingekomen op 3 januari 2002. Voorts is kennisgenomen van een schrijven van mr. M.H.M. Boekhorst van 25 april 2002.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat niet alle stukken van het dossier aan de raadsman in cassatie ter beschikking zijn gesteld, dan wel dat niet het gehele dossier aan de Hoge Raad is toegezonden.
4. In het middel wordt gesteld dat de volgende stukken niet door verzoekers raadsman werden ontvangen van de Griffier van de Hoge Raad:
- politie proces-verbaal d.d. 5 juli 2000
- ademanalyseformulier
- uittreksel Justitieel Documentatieregister van 28 maart 2000
- brieven van verzoeker d.d. 1 en 18 augustus 2000.
De bedoelde stukken bevonden zich wel in het aan de Hoge Raad toegezonden dossier. De genoemde stukken werden door mij in kopie op 22 april 2002 en 2 mei 2002 aan de steller van het middel toegezonden.
5. Hierbij dient te worden aangetekend dat aan verzoekers raadsman een uittreksel Justitieel Documentatieregister d.d. 28 februari 2001 werd toegezonden. Dit uittreksel is het meest recente uittreksel dat zich in het dossier bevindt. Een uittreksel Justitieel Documentatieregister d.d. 28 maart 2000 bevindt zich - anders dan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep zou doen vermoeden - niet bij de stukken. Ook de politierechter had niet de beschikking over een uittreksel met die datum; wel een uittreksel van 16 augustus 2000. Gezien het voorhanden zijn van het uittreksel van 28 februari 2001 moet het ervoor worden gehouden dat in het proces-verbaal in hoger beroep abusievelijk 28 maart 2000 is vermeld als datering van het uittreksel en dient dit te worden verstaan als 28 februari 2001.
6. Terzijde wil ik opmerken dat indien de raadsman constateert dat het van de Hoge Raad ontvangen procesdossier incompleet is, het de voorkeur verdient (tijdig) contact op te nemen met de Griffier van de Strafkamer. De Griffier zal in het algemeen beter dan de strafadministratie in staat zijn om te beoordelen welke stukken nog niet werden toegezonden dan wel niet door de Hoge Raad zelf werden ontvangen.
7. Het middel waarin wordt geklaagd over het ontbreken van de genoemde stukken faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag
8. In het tweede middel wordt gesteld dat het hof een beroep op overmacht onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
9. Ten aanzien van verzoeker is tenlastegelegd en bewezenverklaard dat hij op 5 juli 2000 in Wageningen onder invloed van alcohol een auto heeft bestuurd.
10. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft verzoeker aldaar verklaard dat hij onder bedreiging zijn auto heeft verplaatst. Terecht is dit betoog door het hof opgevat als een beroep op overmacht.
11. Het hof heeft het door verzoeker gedane beroep op overmacht verworpen en daartoe het volgende overwogen:
"Verdachte is strafbaar, zijnde geen omstandigheid gebleken(2) die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Met name acht het hof niet aannemelijk geworden, dat verdachte zijn auto onder dwang heeft verplaatst. Zijn beweringen dienaangaande worden met het tijdsverloop steeds sterker en bereiken een ongeloofwaardig niveau. In zijn, op 5 juli 2000 afgelegde, verklaring is in het geheel niet sprake van enige dwang, in zijn brief van 1 augustus 2000 aan de officier van justitie rept verdachte van "het op verzoek van een derde even verplaatsen van zijn auto", in zijn brief van 18 augustus 2000 aan de Minister van Verkeer en Waterstaat werd hij geconfronteerd met iemand die een pistool droeg.
Ter terechtzitting in eerste aanleg beweert verdachte tenslotte, dat hij zowel met een pistool geslagen als met een mes bedreigd is."
12. Het hof heeft gezien de gebezigde overwegingen onaannemelijk geacht dat verzoeker is bedreigd en daardoor gedwongen was zijn auto - terwijl hij onder invloed was - te verplaatsen. Dit oordeel is gezien de stukken van het geding niet onbegrijpelijk, met name niet nu het door niets anders wordt onderbouwd dan alleen verzoekers verhaal. Het middel faalt.
13. Het derde middel klaagt over de strafmotivering.
14. Het hof heeft verzoeker veroordeeld tot een geldboete van fl. 1.500,= subsidiair 30 dagen hechtenis. Voorts is aan verzoeker de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzegd voor de duur van negen maanden. Ter motivering van de opgelegde straf en maatregel heeft het hof een standaard-strafmotivering gebezigd.
15. Anders dan de steller van het middel kennelijk veronderstelt, was het hof niet gehouden om bij de strafmotivering aandacht te besteden aan in eerste aanleg gevoerde strafmaatverweren. De behandeling in hoger beroep is een geheel nieuwe behandeling van de zaak. Eventuele strafmaatverweren dienen dan ook in hoger beroep expliciet te worden herhaald. Het enkel aangeven door verzoeker dat hij in hoger beroep was gekomen vanwege de hoogte van de opgelegde straf, betekent geenszins een automatische incorporatie van alle in eerste aanleg gevoerde strafmaatverweren (vgl. HR 3 maart 1998, NJ 1999, 59 en HR 30 juni 1998, NJ 1999, 60).
16. Bij gebreke van een specifiek strafmaatverweer was het hof niet gehouden tot een meer uitgebreide strafmotivering. Overigens kan nog worden opgemerkt dat aan verzoeker in hoger beroep een lagere geldboete is opgelegd dan in eerste aanleg; fl. 1.500,= in plaats van fl. 1.800,=. Helemaal zinloos kan de behandeling in hoger beroep dus in de ogen van verzoeker niet zijn geweest. Het middel faalt.
17. Overigens is in het licht van het strafblad van verzoeker (ik telde 10 alcoholantecedenten) de straf van rijontzegging niet onbegrijpelijk; minder onbegrijpelijk in ieder geval dan de vermelding van verzoekers documentatie als bewijsmiddel in de Aantekening van het mondeling [arrest]. Of was het de bedoeling dit strafblad als bijkomende strafmotivering te gebruiken en is het in de verkeerde rubriek terecht gekomen?
18. De middelen falen en lenen zich voor toepassing van art. 81 ROPro. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 De termijn voor het indienen van middelen eindigde op zaterdag 29 december 2001. Op grond art. 1 AlgemenePro Termijnenwet werd de termijn verlengd naar maandag 31 december 2001. Maandag 31 december 2001 is bij besluit van 8 maart 2001, Stct. 2001, 62 gelijkgesteld met een algemeen erkende feestdag, zodat de termijn (opnieuw) werd verlengd en wel tot woensdag 2 januari 2002.
2 In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep wordt kennelijk gebruik gemaakt van een bij de rechtbanken in zwang zijnd model Aantekening mondeling vonnis. In casu heeft de raadsheer echter een mondeling arrest uitgesproken; terwijl de tekst dat "geen omstandigheid [is] gebleken" een standaard-verschrijving zal zijn voor het niet aannemelijk geworden zijn daarvan. Nu een verkeerd model is gebruikt staat niet vast of mede recht is gedaan naar aanleiding van de terechtzitting in eerste aanleg. Dat is wel aannemelijk omdat de raadsheer refereert aan verzoekers verklaring aldaar afgelegd. De aantekening van dat vonnis bevat als bewijsmiddel ook de verklaring van Van Oeveren die een heel ander licht op verzoekers rijgedrag werpt.
=========================
Mr. Jörg
Nr. 01260/01
Zitting 17 september 2002
Aanvullende conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1. Nadat ik op 4 juni 2002 conclusie genomen had in deze zaak is mij van de zijde van de Strafkamer bericht dat voordien, op 14 mei 2002, een aan mij gerichte maar mij niet onder ogen gekomen brief van de raadsman van verzoeker, mr Boekhorst, gedateerd 13 mei 2002, was binnengekomen. Uw Raad verzoekt om een nadere conclusie aangaande het in die brief gestelde.
2. Uit die brief blijkt dat het eerste middel, dat betrekking had op ontbrekende stukken, wordt ingetrokken, aangezien ontbrekende stukken inmiddels waren toegezonden.
3. Vervolgens wordt een nadere toelichting op het tweede cassatiemiddel gegeven. Dat middel betreft de verwerping van het beroep op overmacht en klaagt onder meer - en thans van belang - over het onvoldoende kunnen toetsen van de beslissing van de raadsman wegens het ontbreken van achterliggende processtukken waarnaar in de beslissing wordt verwezen. De toelichting stelt thans dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof niet kan worden opgemaakt dat twee brieven zijn voorgelezen of de inhoud ervan is meegedeeld, terwijl daarop wel acht is geslagen ten bezware van verzoeker, namelijk als onderbouwing van de afwijzing van het beroep op overmacht.
4. Naar mijn oordeel is deze klacht niet in overeenstemming met de cassatievoorschriften, en met name niet met die welke tijdslimieten stellen aan het indienen van cassatiemiddelen.
5. De termijn waarbinnen in de onderhavige zaak cassatiemiddelen konden worden geformuleerd liep ten einde op 2 januari 2002. De thans geformuleerde klacht dateert van (inkomstdatum) 14 mei 2002. Wil een na ommekomst van de termijn ingediende klacht niettemin in behandeling kunnen worden genomen, zal vast moeten staan, dat de raadsman niet over de volledige stukken van het geding heeft beschikt (noch heeft kunnen beschikken), en het formuleren van de klacht niet mogelijk was zonder in het bezit van die stukken te (kunnen) zijn. Of, in de woorden van Uw Raad: voor zover kennisneming van het ontbrekende stuk voor de opstelling van het cassatiemiddel onontbeerlijk is (HR 14 november 2000, LJN AA8296). Dan zal het belang van een behoorlijke rechtspleging kunnen noodzaken tot het gunnen van een nieuwe termijn (zie ook HR 4 juli 2000, NJ 2000, 581).
6. Tot de stukken die de raadsman miste toen hij zijn tijdige cassatiemiddelen formuleerde, behoorde niet het proces-verbaal van de terechtzitting benevens de Aantekening van het mondelinge vonnis (waarmee, ik herhaal, het mondeling arrest is bedoeld). Om een afschrift hiervan heeft de raadsman, na de zestig dagentermijn, niet gevraagd, en het is hem evenmin later toegezonden. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de raadsman bekend kon zijn met de opsomming van de voorgehouden stukken in het proces-verbaal en van de inhoud van rubriek 6 van de Aantekening, inhoudende de motivering van de verwerping van het overmachtverweer. In de motivering wordt onder andere verwezen naar twee brieven (de boven, in 3, bedoelde brieven), die niet in de opsomming van voorgehouden stukken in het proces-verbaal staan vermeld.
7. De mogelijke onvolledigheid van de stukken waarover de raadsman de beschikking had kon hem niet beletten binnen de voor het inzenden van cassatiemiddelen gestelde wettelijke termijn een middel te formuleren van gelijke inhoud als thans als klacht in zijn brief van 13 mei, ontvangen 14 mei 2002 is neergelegd. Het springende punt: ten bezware van verzoeker acht slaan op stukken die hem niet zijn voorgehouden, rijst uit de wel beschikbare stukken zonneklaar op, en had binnen de zestig dagentermijn moeten zijn opgeworpen. De nagekomen klacht is dus tardief en zal door de Hoge Raad buiten beschouwing moeten worden gelaten.
8. Overigens is het wel de zoveelste schoonheidsfout die aan deze uitspraak kleeft, wil ik in het verlengde van mijn eerdere conclusie wel opmerken. Als een dergelijke slordige afhandeling standaard wordt bij de uitbreiding van de mogelijkheid om in hoger beroep zaken enkelvoudig af te doen, houd ik mijn hart vast.