ECLI:NL:PHR:2002:AE4256

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juli 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00838/01
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 SrArt. 81 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad oordeelt over diefstal van een reeds gestolen auto en het onverenigbare van heling

In deze zaak heeft het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch verdachte veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf voor diefstal van een auto. Verdachte had de auto meegenomen die reeds door een ander was gestolen. Verdachte stelde in cassatie dat hij geen diefstal kon plegen omdat de auto niet eerst terug in de macht van de rechthebbende moest zijn gekomen.

De Hoge Raad oordeelde dat het ontvreemden van een voorwerp dat reeds gestolen was door een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, toch als diefstal moet worden beschouwd. Het maakt niet uit of het voorwerp wordt weggenomen uit de macht van de dief of van de rechthebbende; het blijft eigendom van een ander.

Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat het onverenigbaar is om iemand te veroordelen voor heling van een auto die hij door een misdrijf (diefstal) onder zich heeft gekregen. Dit oordeel werd ondersteund door vergelijkbare rechtsopvattingen in het Duitse en Franse recht. Het middel van cassatie faalde en werd verworpen, waarmee de veroordeling van verdachte stand hield.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte voor diefstal van een reeds gestolen auto.

Conclusie

Nr. 00838/01
Mr Machielse
Zitting 28 mei 2002
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 5 januari 2001 voor diefstal van een auto veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken.
2. Verdachte heeft cassatie ingesteld en mr M.M. de Jong, advocaat te Goirle, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt over de bewijsvoering. De steller van het middel voert aan dat het 'wegnemen' niet kan worden bewezenverklaard. Het betreft een auto die al was gestolen toen verdachte de auto onbeheerd aantrof en ermee wegreed. Wilde verdachte een diefstal kunnen plegen dan zou de auto eerst opnieuw in de macht van de rechthebbende teruggekeerd moeten zijn. Diefstal ten nadele van een dief is volgens de steller niet mogelijk, nu het gestolene aan de dief niet toebehoorde.
3.2. Het middel faalt op de volgende grond. Als de een een door een ander reeds gestolen voorwerp met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ontneemt is er toch sprake van diefstal.(1) Of men het voorwerp wegneemt uit de heerschappij van de dief of van de rechthebbende verandert niets aan de hoedanigheid van het voorwerp dat het aan een ander toebehoort. Illustratief is een arrest van de Hoge Raad van vorig jaar waarin iemand was veroordeeld voor opzetheling van een auto.(2) Het hof had de volgende verklaring van verdachte voor het bewijs gebruikt:
"op de vraag van de voorzitter met betrekking tot de zaak met parketnummer (...) hoe ik aan de witte Volkswagen Golf kwam, antwoord ik dat ik de auto gestolen heb van degene die hem gestolen heeft."
De Hoge Raad oordeelde de vaststelling dat de verdachte de auto van de oorspronkelijke dief had gestolen onverenigbaar met een veroordeling ter zake van art. 416, eerste lid, Sr, omdat verdachte de auto door een misdrijf onder zich had gekregen. Ik kan in de overwegingen van de Hoge Raad niet anders lezen dan dat degeen die een auto 'steelt' van een dief een misdrijf pleegt en wel diefstal en zich daarom niet schuldig kan maken aan heling ten aanzien van die auto. In het Duitse recht geldt hetzelfde.(3) Evenmin hoeft in Frankrijk aan een veroordeling voor diefstal (art.311-2 CP) in de weg te staan dat het voorwerp niet toebehoorde aan degeen aan wie het werd ontfutseld. Als maar degeen die wegneemt geen eigenaar is.(4)
Het middel faalt en kan worden verworpen op de voet van art.81 RO Pro.
4. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding geeft.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 NLR voetnoot 1 5/310.
2 HR 30 oktober 2001, NJB 2001,174, p.2199.
3 Schönke/Schröder, 25e druk, RN 25 bij § 242.
4 CdC 11 maart 1942, Bull. Crim.