ECLI:NL:PHR:2002:AE4267
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldboete voor overtreding identificatie- en registratieplicht varkens
In deze zaak werd de ondernemer veroordeeld wegens het feitelijk uitoefenen van macht over ongemerkte varkens, in strijd met artikel 9 van Pro de Verordening Identificatie en Registratie Varkens 1998, gebaseerd op artikel 96 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. De ondernemer voerde onder meer aan dat artikel 9 onverbindend Pro was omdat het de wettelijke grondslag te buiten ging, en dat hij geen schuld had vanwege advies van deskundigen en overmacht.
De Hoge Raad oordeelde dat het verbod in artikel 9, eerste lid, gelezen moet worden in samenhang met het tweede lid, waarin uitzonderingen zijn opgenomen. Deze regeling overschrijdt niet de grenzen van de wettelijke bevoegdheid. De bewijslast dat een uitzondering zich voordoet ligt bij de verdachte, maar dit is niet onredelijk omdat deze eenvoudig is aan te tonen. De Hoge Raad verwierp het beroep op onverbindendheid en oordeelde dat de norm helder en kenbaar is.
Verder wees de Hoge Raad het beroep op afwezigheid van schuld af, omdat de verdachte niet mocht vertrouwen op het advies van niet-juridisch deskundigen en het belang van doelmatige controle vereist dat varkens tijdig worden gemerkt. Ook het beroep op noodtoestand werd verworpen, omdat het conflict van plichten op andere wijze had kunnen worden opgelost. De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot een geldboete wegens het houden van ongemerkte varkens in strijd met de Verordening Identificatie en Registratie Varkens 1998.