ECLI:NL:PHR:2002:AE4268
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid OM niet wegens overschrijding redelijke termijn en dubbele vervolging
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994. De verdediging voerde aan dat het OM niet ontvankelijk moest worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn, aangezien de zaak pas na ruim twee jaar werd behandeld. Het hof oordeelde dat de vertraging deels voor rekening van de verdediging kwam vanwege de beperkte beschikbaarheid van de advocaat.
Daarnaast stelde de verdediging dat het OM niet ontvankelijk moest worden verklaard omdat twee personen voor hetzelfde feit werden vervolgd, wat volgens hen niet mogelijk was. Het hof verwierp dit beroep en stelde dat de wijziging van de tenlastelegging bij de andere betrokkene erop wees dat deze niet als bestuurder was veroordeeld, zodat geen sprake was van dubbele vervolging voor hetzelfde feit.
De Hoge Raad concludeerde dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was en dat de middelen van cassatie faalden. Er was geen reden om het OM niet-ontvankelijk te verklaren en de vertraging kon terecht aan verdachte worden toegerekend. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling en het oordeel over de redelijke termijn en dubbele vervolging.