Art. 2014 oud BWArt. 150 RvArt. 4 Wet op de motorrijtuigenbelastingArt. 40 WegenverkeerswetArt. 31 Wegenverkeerswet
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bescherming derde-verkrijger te goeder trouw bij verkrijging van auto van onbevoegde en onderzoeksplicht koper
Deze zaak betreft de bescherming van de derde-verkrijger te goeder trouw die een auto verkrijgt van een beschikkingsonbevoegde vervreemder onder het oude Burgerlijk Wetboek. Chrysler had een Jeep Cherokee geleverd gekregen van Cavendor, die niet beschikkingsbevoegd was, waarbij het kentekenbewijs deel II op naam stond van Target. Chrysler verkocht de auto vervolgens door aan een derde.
Bull's Eye, die rechten had verkregen van Target, stelde dat Chrysler niet te goeder trouw was omdat het kentekenbewijs deel II niet op naam van Cavendor stond en Chrysler daardoor een onderzoeksplicht had. De Hoge Raad onderzocht of het ontbreken van de tenaamstelling op deel II een reden is voor nader onderzoek en concludeerde dat dit niet hetzelfde gewicht heeft als het ontbreken van het copie deel III, dat een belangrijk legitimatie-instrument is.
De Hoge Raad bevestigde dat de koper een onderzoeksplicht heeft als er aanwijzingen zijn dat de voorman onbevoegd is, maar dat het feit dat deel II niet op naam van de leverancier staat, zonder andere verdachte omstandigheden, niet automatisch tot een gebrek aan goede trouw leidt. Ook werd geoordeeld dat de bewijslast voor het niet te goeder trouw zijn bij de eiser ligt. Het cassatieberoep van Bull's Eye werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Bull's Eye wordt verworpen en het hof heeft terecht geoordeeld dat Chrysler te goeder trouw was.
Conclusie
Nr. C01/033HR
Mr. Huydecoper
Zitting van 7 juni 2002
Conclusie inzake
de vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk Bull's Eye Enterprises Ltd.
Eiseres tot cassatie
tegen
De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Chrysler Loon op Zand B.V.
Verweerster in cassatie
Feiten en procesverloop
1) In deze zaak gaat het in de eerste plaats om de bescherming van de derde-verkrijger te goeder trouw, die verkrijgt van een beschikkingsonbevoegde vervreemder - en wel naar het recht van vóór 1 januari 1992, oftewel: naar "oud" BW.
Daarnaast gaat het, zij het zijdelings, om de vraag in hoeverre de verkrijger van een zaak van een niet-beschikkingsbevoegde die bij die verkrijging moet worden aangemerkt als niet te goeder trouw in de zin van de in de vorige (sub)alinea bedoelde regels, met het oog op het feit dat hij als niet te goeder trouw zijnde verkrijger moet worden aangemerkt, uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is jegens de "werkelijke" rechthebbende als (ook) hij de zaak inmiddels heeft vervreemd.
2) Ik vat de feitelijke achtergrond kort samen, en verwijs voor een meer uitvoerige (maar voor de zaak in cassatie niet in alle opzichten relevante) vaststelling van de feiten naar rov. 3 van het in eerste aanleg op 28 mei 1996 gewezen vonnis en naar rov. 4.3 van het in appel op 12 april 1999 gewezen tussenarrest.
3) De eiseres tot cassatie, Bull's Eye(1), leidt haar rechtspretenties af van Target Leasing BV (verder te noemen Target). Target heeft op 27 augustus 1990 de in geding zijnde zaak, nl. een auto van het merk Jeep Cherokee, van de toenmalige eigenaar gekocht voor de prijs van f 42.000,-. Het kenteken is toen op naam van Target gezet. Volgens Bull's Eye heeft Target de auto verhuurd aan een derde, [betrokkene 2](2).
4) Chrysler heeft dezelfde auto op 24 december 1990 krachtens ruiling geleverd gekregen van Cavendor Corporation Nederland BV. Cavendor had de auto toen feitelijk onder zich, en beschikte over de sleutels en over het volledige kentekenbewijs, inclusief het destijds vereiste copie deel III. Het kentekenbewijs (deel II - dit is het gedeelte van het kentekenbewijs waar de personalia van de houder van het kenteken vermeld moeten worden) stond echter op naam van Target.
Chrysler heeft de auto op 27 januari 1991 verkocht en geleverd aan [betrokkene 1]. De - complete - autopapieren zijn toen aan [betrokkene 1] ter hand gesteld, en het kentekenbewijs is op zijn naam gesteld.
5) Bull's Eye ontleent haar aanspraken aan een reeks overdrachtsaktes waarbij de rechten die Target op de auto kon doen gelden successievelijk zijn overgedragen aan [B], later genaamd Hajebo, vervolgens aan [A] (de oorspronkelijke eiseres in deze zaak), en tenslotte aan Bull's Eye. In (juni) 1995 heeft [A] Chrysler aangesproken, en schadevergoeding gevorderd(3). [A] beriep zich er daartoe op dat Chrysler de auto niet te goeder trouw had verkregen(4), en stelde in het verlengde daarvan dat Chrysler jegens haar, [A], onrechtmatig had gehandeld door de auto te verkopen en leveren aan [betrokkene 1].
6) Nadat de rechtbank [A] om thans niet meer terzake doende redenen niet-ontvankelijk had verklaard, besliste het hof in appel dat [A] bewijs moest leveren van Chryslers gebrek aan goede trouw bij de verwerving van de auto. In het eindarrest kwam het hof tot de bevinding dat dat bewijs niet was geleverd, en wees het de vorderingen dus af.
7) In cassatie bestrijdt Bull's Eye(5) de zojuist kort weergegeven beslissing(en) van het hof. Chrysler heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid of verwerping van het cassatieberoep. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht, en hebben gerepliceerd resp. gedupliceerd.
Bespreking van het cassatiemiddel
8) Het cassatiemiddel verdedigt in een (aanzienlijk) aantal varianten dat het hof tegen de hiervóór summier weergegeven feitelijke achtergrond niet de bewijslast ten aanzien van het niet te goeder trouw zijn van Chrysler had mogen leggen aan de kant van Bull's Eye, of had moeten aannemen - al dan niet bij wege van vermoeden - dat Chrysler niet te goeder trouw was omdat zij (Chrysler) in het licht van de tenaamstelling van het kentekenbewijs op Target reden had om erop bedacht te zijn dat haar leverancier beschikkingsonbevoegd kon zijn, en zij dus een onderzoeksplicht terzake had.
De maatstaf voor goede trouw bij de verkrijger van een auto
9) Ik meen er goed aan te doen de laatste vraag als eerste te onderzoeken: dus de vraag of het oordeel (van het hof) dat aan Chrysler in de door het hof vastgestelde omstandigheden een beroep op goede trouw in de zin van het destijds geldende art. 2014 BWPro toekwam, rechtens juist en voldoende draagkrachtig gemotiveerd is. Ik neem daarbij de feiten tot uitgangspunt die als vaststaand kunnen gelden. Die komen er volgens mij op neer dat Chrysler de auto (door daadwerkelijke overhandiging) geleverd kreeg van een niet beschikkingsbevoegde leverancier, met bijlevering van de sleutels en van het volledige kentekenbewijs, maar: terwijl het kenteken stond op naam van Target, en dus op naam van een ander dan Chryslers leverancier (Cavendor).
Daarbij heeft het hof als niet-onaannemelijk beoordeeld, dat (het regelmatig voorkomt dat) lease-auto's waarvan het leasecontract is geëindigd, door de in die fase als rechthebbende aan te merken partij ten verkoop worden aangeboden terwijl het kenteken nog op naam staat van de oorspronkelijke lessor. Die omstandigheid levert daarom, volgens het hof, geen aanwijzing op dat de handelaar(6) niet te goeder trouw is.
10) De partijen hebben van weerszijden de daarmee aan de orde gestelde vraag onderzocht, en daarbij vooral aandacht besteed aan het arrest HR 4 april 1986, NJ 1986, 810 m.nt. WMK. Ik zou inderdaad menen dat dat arrest de sleutel voor de beoordeling van deze vraag inhoudt.
Het ging in dat arrest, kort gezegd, om de vraag of aan de koper van een auto die bij de koop niet het copie deel III van het kentekenbewijs (dat in die zaak overigens wèl op naam van de leverancier van de auto stond) had ontvangen, een beroep op goede trouw toekwam. Rechtbank en Hof hadden geoordeeld dat dat wel het geval was, en ook A-G Franx kwam tot dat oordeel, na een grondige analyse van de omstandigheden van het geval. Hij schrijft (in mijn parafrase) dat wie koopt van een hem bekende (en, voeg ik op eigen gezag toe: vertrouwde) leverancier, onvoldoende aanleiding heeft om navraag te doen naar een ontbrekend copie deel III, gegeven het feit dat het zeer wel mogelijk is dat degene die een auto aanbiedt daarover rechtmatig kan beschikken zonder een copie deel III te hebben.
11) De Hoge Raad oordeelde daar anders over, met de in de onderhavige procedure al verschillende malen geciteerde overweging:
"Voor goede trouw, vereist voor een beroep op dit artikel, is niet alleen nodig dat de verkrijger ten tijde van de levering de onbevoegdheid van zijn voorman niet kende, maar ook dat niet gezegd kan worden dat hij die onbevoegdheid toen behoorde te kennen. Met het oog op dit laatste dient hij naar de bevoegdheid van zijn voorman het onderzoek in te stellen, dat in de gegeven omstandigheden van hem kan worden verlangd. Dit brengt - behoudens hier niet ter zake doende uitzonderingen - mee dat de verkrijger van een tweedehands auto tenminste de autopapieren (het kentekenbewijs en de kopie van deel III van het kentekenbewijs) heeft onderzocht met het oog op deze bevoegdheid, wil hij ten tijde van zijn verkrijging te goeder trouw zijn. Dit behoort derhalve tot de omstandigheden die hij bij betwisting van zijn goede trouw zal hebben te stellen."
Omdat in het gegeven geval niets over onderzoek van de autopapieren was gesteld (en dus niet aan de door de Hoge Raad omschreven stelplicht was voldaan), oordeelde de Hoge Raad dat er van uit was te gaan dat de verkrijger niet te goeder trouw was.
12) Uit deze beslissing blijkt, meen ik, dat een koper van een tweedehands auto in ieder geval dán gehouden is zich nader omtrent de bona fides van zijn voorman op de hoogte te stellen, als de hem getoonde autopapieren in dat opzicht - relevante - ruimte voor twijfel laten(7).
Vervolgens ligt het in de rede deze beslissing zo te verstaan, dat het ontbreken van het copie deel III (behoudens de uitzonderingen waarop de Hoge Raad zinspeelt(8)) een aanwijzing oplevert, die meebrengt dat van de verkrijger kan worden verlangd dat die naar de bevoegdheid van zijn voorman nader onderzoek doet. Daaraan doet - kennelijk - niet af dat er voor het ontbreken van het copie deel III legitieme redenen kunnen bestaan: de verkrijger mag er niet zonder meer op vertrouwen dat dergelijke legitieme redenen ook in "zijn" geval aanwezig zijn, en daarom verkiezen van nader onderzoek af te zien(9).
In het arrest (van de Hoge Raad) wordt de nadruk overigens gelegd op de stelplicht aan de kant van de verkrijger; maar dat betekent natuurlijk niet dat alleen die (stel)plicht doorslaggevend of relevant zou zijn. Het gaat, zoals het arrest duidelijk aangeeft, in de eerste plaats om het materiële vereiste van (nader) onderzoek - met als processueel sequeel een stelplicht ten aanzien van de wijze waarop aan dat materiële vereiste is voldaan.
13) Het arrest van 4 april 1986 wordt in de literatuur in het algemeen op dezelfde manier uitgelegd als ik in de vorige alinea aangaf(10), namelijk in die zin dat de Hoge Raad voor die gevallen waarin de verkrijger aanwijzingen heeft dat er iets aan de bevoegdheid van de voorman schort, voor het beroep op goede trouw van de verkrijger de eis hanteert dat deze het alsdan geboden nadere onderzoek heeft gedaan (en daarover concrete stellingen naar voren brengt). Over de vraag, welke aanwijzingen aan een beroep op goede trouw in de weg staan, zijn de meningen daarentegen enigszins verdeeld.
Een eerste vaststelling in dat verband is, dat het niet hoeft te gaan om aanwijzingen die er positief op duiden dat de zaak niet "eerlijk" is(11). Ook een minder zwaarwegende aanwijzing die erop kàn wijzen dat de voorman onbevoegd is, is al voldoende. De zaak uit het arrest van 4 april 1986 betrof zo'n geval: bij levering van een auto zonder het copie deel III is het bepaald niet vanzelfsprekend dat de bevoegdheid van de voorman een gebrek vertoont. In veel gevallen, waarschijnlijk de grote meerderheid, bestaat er voor het niet-beschikbaar zijn van dat document een legitieme verklaring (het schijnt regelmatig voor te komen dat mensen het copie deel III zo opbergen dat zij dat na verloop van tijd niet meer kunnen terugvinden); en ook waar zo'n verklaring er niet is kan het tóch geredelijk zo zijn dat de voorman bevoegd is (het geval dat de voorman wèl bevoegd is doet zich nu eenmaal vele malen vaker voor dan het omgekeerde geval). Aan de hand van dergelijke overwegingen oordeelde A-G Franx destijds dan ook dat het te ver zou gaan om alleen op grond van het bestaan van deze aanwijzing nader onderzoek van de verkrijger te verlangen. Maar de Hoge Raad legde, zoals al bleek, een strengere maatstaf aan.
14) De vraag is dus of de aanwijzing waarop in deze zaak een beroep is gedaan, op dezelfde voet moet worden benaderd als de aanwijzing uit het arrest van 1986. In deze zaak gaat het om het feit dat deel II van het kentekenbewijs (nog) op naam van Target stond. Komt aan die aanwijzing een zelfde gewicht toe als aan het ontbreken van het copie deel III uit de eerdere zaak?
Voor een bevestigende beantwoording pleit dat het in beide gevallen gaat om een niet moeilijk te onderkennen bijzonderheid, waarmee weliswaar lang niet altijd een gebrek in de titel van de voorman hoeft samen te gaan, maar waarbij de kans dat dat wèl het geval is niet denkbeeldig is. Vóór een bevestigende beantwoording pleit ook, dat nader onderzoek van het hier aan de orde zijnde gegeven - stemt degeen op wiens naam het kentekenbewijs staat met de overdracht in? - relatief eenvoudig is, en gewoonlijk nauwelijks tijd of moeite hoeft te kosten. Voor de vraag of nader onderzoek van de verkrijger verlangd mag worden, legt de belasting die dat nadere onderzoek voor de (handels)praktijk betekent een bescheiden, maar niet geheel verwaarloosbaar gewicht in de schaal.
15) Tegen bevestigende beantwoording pleit, dat het copie deel III weliswaar niet uitsluitend met het oog op legitimatie van de houder van het kenteken in het leven is geroepen, maar dat die legitimatie, en daarmee: het tegengaan van de handel in auto's door onbevoegden, toch een van de belangrijke redenen voor het tot stand brengen van dit instituut is geweest(12). In dat licht bezien is het ontbreken van het copie deel III een ernstiger signaal dan een "verkeerde" tenaamstelling van deel II: het eerste document is in belangrijke mate bestemd om het frauderen met de overdracht van auto's tegen te gaan, het tweede speelt in dat opzicht een (veel) minder prominente rol. Mede omdat het copie deel III de functie van de belangrijkste legitimatie van de houder van een auto is gaan bekleden(13), is de legitimerende functie van het deel II naar de achtergrond verschoven. De tenaamstelling van het kentekenbewijs dient ook heel andere doelen: vaststellen of aanwijzen van een fiscaal, strafrechtelijk en civielrechtelijk (uiteindelijk) aansprakelijke persoon voor de lotgevallen van de betreffende auto, bijvoorbeeld(14). Die doelen hebben door de invoering van het copie deel III meer accent gekregen, en de legitimerende functie navenant minder.
16) In die omstandigheden komt, meen ik, het nodige gewicht toe aan de vaststelling van het hof dat het niet onaannemelijk is dat in de praktijk leaseauto's gedurende de (korte) tijd tussen de beëindiging van een leaseovereenkomst en de levering aan de uiteindelijk gerechtigde, blijven staan op naam van de oorspronkelijke houder van het kenteken, veelal dus de leasemaatschappij(15). Daarvan uitgaande, en gevoegd bij de zojuist in alinea 15 ten beste gegeven beschouwingen over de betrekkelijke rol die het kentekenbewijs deel II bij de legitimatie van de verkoper van een auto speelt, kom ik tot de slotsom dat er onvoldoende reden is om de hiervóór als streng gekwalificeerde maatstaf die de Hoge Raad in het arrest van 4 april 1986 in verband met het copie deel III heeft aangelegd, ook toe te passen op het geval van een kentekenbewijs deel II dat niet staat op naam van degene die een auto te koop aanbiedt. Als de aanbieder wèl het zo gewichtige copie deel III in zijn bezit heeft en er overigens geen omstandigheden blijken die argwaan zouden moeten wekken, zeg ik A-G Franx in zijn herhaaldelijk geciteerde conclusie na, dat het te ver gaat om te eisen dat de koper navraag naar de achtergronden van de tenaamstelling van het kentekenbewijs doet.
Hoeft de verkrijger dan, inderdaad, niet eens aan zijn wederpartij (de aanbieder van de auto) te vragen naar de verklaring voor de discrepantie in de tenaamstelling? Daarover kan men aarzelen - uiteindelijk betreft het hier een erg kleine moeite, en kan een op de juiste plaats ingebrachte vraag de verkrijger zeker wijzer maken. Maar beslissend is, of de verkrijger in de hier te beoordelen omstandigheden een zodanige reden heeft om er rekening mee te houden dat zijn wederpartij wel eens onbevoegd kan zijn, dat dat hem tot nader onderzoek zou behoren aan te zetten. Ik meen dat die reden hier in het algemeen niet aanwezig is, en dat daarom het achterwege laten van (ook) deze onderzoeksmaatregel nog juist door de beugel kan(16).
In een dergelijk geval zullen de omstandigheden de balans overigens al gauw naar de andere kant doen doorslaan - bijvoorbeeld de omstandigheid dat de transactie op een automarkt van twijfelachtige reputatie plaatsvindt, of de omstandigheid dat de koper zijn voorman niet kent en nalaat zich deugdelijk van diens identiteit en betrouwbaarheid te vergewissen. In deze zaak waren dergelijke omstandigheden echter niet aan de orde; en zie ik per saldo dus onvoldoende aanleiding om de balans anders te laten doorslaan dan het hof heeft gedaan.
Stelplicht en bewijslast
17) Voor wat betreft stelplicht en bewijslast moet een onderscheid gemaakt worden tussen de thans in cassatie op de voorgrond staande stelling van Bull's Eye (kort gezegd: het niet nader doen van onderzoek naar aanleiding van de "verdachte" tenaamstelling van het kentekenbewijs deel II brengt al (een vermoeden van) gebrek aan goede trouw aan de kant van Chrysler mee), en de stelling die in de feitelijke instanties op de voorgrond stond, en die er op neerkwam dat Chrysler het copie deel III niet van Cavendor had gekregen (maar van Target, die dat op verzoek van Chrysler zou hebben toegestuurd).
18) Hiervóór werd verdedigd dat wie een auto van een hem bekende verkoper betrekt, terwijl die verkoper over de volledige "set" kentekendocumenten blijkt te kunnen beschikken, niet enkel omdat het kentekenbewijs deel II niet op de naam van de verkoper blijkt te staan maar op naam van een leasemaatschappij, gehouden moet worden geacht tot nader onderzoek van de bevoegdheid van de voorman; en althans dat dat het geval is wanneer aangenomen mag worden dat het vaak voorkomt dat leaseauto's aan het eind van een leaseovereenkomst in afwachting van hun definitieve bestemming "op naam" van de leasemaatschappij blijven staan, ofschoon de opvolgende gerechtigde dan over de betreffende auto kan en mag beschikken.
In de eerste variant, vóór de toevoeging na het woord "althans", gaat het hier om een rechtsregel. Bij de toepassing van die rechtsregel in het onderhavige geval kwamen geen feitelijke gegevens te pas die het hof met toepassing van de regels over stelplicht of bewijslast in het nadeel van Bull's Eye heeft beoordeeld. In deze variant missen de klachten over - met name - de bewijslastverdeling al daarom goede grond.
19) Voor de tweede variant is dat niet helemaal hetzelfde: in die variant wordt immers mede gewicht toegekend aan de feitelijke vaststelling dat leaseauto's in de praktijk vaak op naam van de leasemaatschappij zouden blijven staan (en legt dat gegeven gewicht in de schaal bij de weging van de onderzoeksplicht aan de kant van de koper). In die variant kan de vraag aan de orde komen, voor risico van welke partij het al-dan-niet vaststaan van dit gegeven moet worden gebracht.
Ook hier lijkt mij echter dat Bull's Eye zich niet over de door het hof toegepaste bewijslastverdeling kan beklagen. Ik denk namelijk dat het hof ervan uit is gegaan dat het aan Chrysler was om dit ter ondersteuning van Chryslers goede trouw aangevoerde argument aannemelijk te maken; maar dat het hof dat gegeven vervolgens inderdaad als (niet on)aannemelijk heeft beoordeeld. Ik geloof niet dat het hof hier het bewijsrisico in het nadeel van Bull's Eye heeft toegepast om het onderhavige gegeven als beoordelingsfactor toe te laten(17).
Als ik dat juist zie, kan Bull's Eye zich ook in dit opzicht niet over de bewijslastverdeling beklagen.
20) De vraag ligt een beetje moeilijker als het gaat om de manier waarop het copie deel III zijn weg naar Chrysler heeft gevonden.
In het licht van het arrest van 4 april 1986 is ervan uit te gaan dat wanneer Chryslers leverancier Cavendor niet kon beschikken over het copie deel III, dat voor Chrysler aanleiding had moeten zijn om Cavendors bevoegdheid nader te onderzoeken. Chrysler had niet gesteld dat zij nader onderzoek had gedaan - zij had daarentegen min of meer onomwonden aangegeven dat daarvoor in de gegeven omstandigheden onvoldoende reden bestond. Voor de vraag of Chrysler zich op goede trouw mag beroepen, werd daardoor praktisch doorslaggevend of Chrysler het copie deel III van Cavendor had gekregen - zoals Chrysler stelde - dan wel of het document Chrysler op verzoek door Target was toegestuurd - zoals van de kant van Bull's Eye werd gesteld.
Het hof heeft geoordeeld dat wat Bull's Eye in dit opzicht had aangevoerd niet vast was komen te staan. Dat impliceert zeker niet dat Chryslers stellingen wèl vast waren komen te staan. Hier ligt in de rede dat het bewijsrisico voor de uitkomst bepalend kon zijn. Mocht het hof het bewijsrisico ten laste van Bull's Eye brengen?
21) Mij dunkt: dat mocht het hof, als de regels omtrent bewijslastverdeling dat al niet dwingend meebrachten. Feiten en omstandigheden die konden uitwijzen dat Chrysler bij de verkrijging van de auto niet te goeder trouw was, behoorden (inderdaad) tot de door Bull's Eye te stellen, en bij tegenspraak te bewijzen grondslagen waarop de vorderingen van Bull's Eye berustten. De vuistregel dat goede trouw verondersteld wordt en kwade trouw moet worden bewezen, is een uitwerking, voor een specifiek geval, van de generieke regel die thans uit art. 150 RvPro. blijkt. Dat de wederpartij iets wist of behoorde te weten waardoor die zich niet zo had mogen gedragen als hij in feite heeft gedaan, is een bijzondere feitelijke omstandigheid die de eiser in een geding als het onderhavige moet stellen, en bij betwisting waarmaken - niet anders dan wanneer het om een andere eigenschap van de gedragingen van de wederpartij ging waardoor die gedragingen tot aansprakelijkheid kunnen leiden.
22) Ik zie in deze zaak geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van de "normale" regel van bewijslastverdeling indiceren. Dat Chrysler bij of kort na haar verkrijging van de auto over het copie deel III kon beschikken stond vast. Chryslers stelling dat zij dat document van haar voorman had gekregen (en daarom een beroep op goede trouw mocht doen) was niet inherent onaannemelijk (ware dat anders dan zou dat een reden kunnen zijn om de bewijslastverdeling te heroverwegen). Ook overigens zie ik geen bijzonder aanknopingspunt dat de balans in dit opzicht ten gunste van Bull's Eye verlegt. Dat is ook niet het geval met het oog op wat het middel in onderdelen 1.1, 1.2, 1.4 en 1.7 aanvoert. In wezen gaat het daar telkens om het argument dat Chrysler in de tenaamstelling van het kentekenbewijs deel II aanleiding voor nader onderzoek had moeten vinden. Dat argument is in de alinea's 9 t/m 16 hiervóór op zijn materiële merites onderzocht (in verband met de verschillende argumenten die de middelonderdelen 1.3, 1.5, 1.6, 1.7 en 1.9 aandragen). Verwerpt men, zoals ik verdedigde, de materiele klachten op dit thema, dan is er ook geen aanleiding om de aldus gevonden uitkomst langs de weg van bewijslastomkering weer "onderuit te halen". Verwerpt men die klachten niet (maar aanvaardt men ze in een of meer varianten), dan ligt in de rede om de beslissing van het hof op die grondslag - onjuiste toepassing van de relevante materiële rechtsregel - te vernietigen, en hoeft niet te worden onderzocht of dezelfde argumenten ook een omkering van de bewijslast zouden (kunnen) rechtvaardigen.
23) Daarmee zijn de belangrijkste argumenten uit de (sub)onderdelen van het cassatiemiddel besproken. Dat geldt echter niet voor de onderdelen 1.8 en 1.10, zodat ik die thans in beschouwing neem.
Onderdeel 1.8 klaagt over de waardering van het bewijs door het hof. Het richt zich dus tegen een beslissing van louter feitelijke aard, en voert daartoe aan - wat in cassatie geoorloofd is - dat de betreffende beslissing onbegrijpelijk zou zijn.
Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat een andere waardering van het onderhavige bewijsgegeven zeer wel denkbaar zou zijn geweest - maar niet, dat de door het hof gegeven waardering onbegrijpelijk is. Het hof heeft duidelijk gemotiveerd(18) waarom het het in het middelonderdeel bedoelde "kattenbelletje" als onvoldoende overtuigend beoordeelde, en aan andere ten processe gebleken gegevens méér gewicht toekende. Dat oordeel had, zoals gezegd, ook in andere zin kunnen uitvallen - maar waarom het hof in deze zin heeft geoordeeld is daarmee helder en begrijpelijk uiteengezet.
24) Onderdeel 1.10 faalt al daarom, omdat niet wordt gemotiveerd waarom het daar bestreden oordeel onbegrijpelijk zou zijn (en omdat het bepaald niet vanzelf spreekt, waarom de steller van het middel er zo over denkt). Ten overvloede geldt, dat geenszins onbegrijpelijk is waarom het hof de hier bedoelde (feitelijke) argumenten niet als overtuigend heeft aangemerkt.
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
25) In de schriftelijke toelichting namens Chrysler wordt verdedigd dat Bull's Eye in cassatie niet-ontvankelijk is, omdat datgene wat zij vordert hoe dan ook niet toewijsbaar zou zijn. Daartoe voert Chrysler aan dat ook wanneer juist zou zijn dat zij, wegens tekortschieten in de onderzoeksverplichting die op de koper van een tweedehands auto kan rusten, geen beroep kan doen op bezit te goeder trouw in de zin van art. 2014 (oud) BW, daarmee nog onvoldoende feiten gesteld zijn om aan te nemen dat het feit dat zij de auto in kwestie heeft doorverkocht een onrechtmatige daad oplevert jegens de (toenmalige) rechthebbenden. Verder voert Chrysler aan dat, ook al zou het zo zijn dat zij een onrechtmatige daad ten opzichte van de toenmalige rechthebbende (nl. Target) zou hebben begaan, er onvoldoende gesteld is om te kunnen aannemen dat de betreffende vordering thans aan Bull's Eye toekomt.
26) Deze beide argumenten zijn namens Chrysler in de feitelijke instanties niet naar voren gebracht; en in aansluiting daarop is ook van de kant van Bull's Eye in die instanties geen verweer tegen deze argumenten gevoerd. Wij weten dus niet of, en in welk opzicht, Bull's Eye argumenten ter weerlegging van deze verweren van Chrysler beschikbaar had (en had willen aanvoeren)(19). Al daarom meen ik dat het niet in aanmerking komt dat deze argumenten van Chrysler in de cassatieinstantie in de beoordeling worden betrokken. Als men die argumenten al niet rechtstreeks aanmerkt als feitelijke nova waarvoor in cassatie geen plaats is, geldt toch in elk geval het zoëven tot uitdrukking gebrachte bezwaar: namelijk dat in cassatie niet valt te overzien of Bull's Eye over (feitelijk) verweer tegen deze argumenten beschikte, en dit niet de instantie is waarin het debat daarover kan worden aangegaan(20).
27) Ik beoordeel het beroep op niet-ontvankelijkheid daarom als ongegrond.
Conclusie
Deze beschouwingen leiden tot een conclusie tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Ik zal hierna gemakshalve meestal van Bull's Eye spreken, ook als het om de rechtsvoorgangers van Bull's Eye gaat, tenzij het voor de duidelijkheid nodig is om aan te geven welke partij precies bedoeld is.
2 Blijkens rov. 7.2 uit het eindarrest van 30 oktober 2000 is deze stelling echter niet komen vast te staan.
3 Het prikkelt de nieuwsgierigheid enigszins dat maar zeer ten dele blijkt in hoeverre degenen die vóór [A] aanspraak op de auto meenden te hebben, zich in het niet onaanzienlijke tijdsverloop sedert de verwerving door Chrysler en [betrokkene 1], lijken te hebben afgevraagd waar "hun" auto toch gebleven was en waarom - naar men toch mag veronderstellen - er geen huurpenningen werden ontvangen. De bij het proces-verbaal van het getuigenverhoor in appel van 6 oktober 1999 gevoegde stukken geven daarvan wel een globale indruk, maar bepaald geen duidelijk beeld. Soms betreurt men dat de cassatieinstantie geen ruimte biedt om dit soort nieuwsgierigheid te bevredigen.
4 [A] benadrukte daarbij dat Chrysler bij de aanvankelijke terhandstelling van de auto niet het kentekenbewijs copie deel III zou hebben gekregen, en daarom reden tot nader onderzoek zou hebben gehad. In de feitelijke instanties is vooralsnog geoordeeld dat dit deel van de stellingen van de kant van Bull's Eye niet is komen vast te staan; in cassatie wordt er door partijen van uit gegaan dat Chrysler wel het volledige kentekenbewijs, dus inclusief het copie deel III, heeft gekregen, en wordt de nadruk verlegd naar het gegeven dat deel II niet op naam van Chryslers leverancier Cavendor stond, maar op naam van Target. Daaraan wordt onder meer de stelling verbonden dat Chrysler niet te goeder trouw verkreeg, omdat (ook) dat gegeven Chrysler aanleiding had moeten geven voor nader onderzoek.
5 In cassatie wordt niet in twijfel getrokken dat overgang van de positie van één procespartij op een andere, zoals in dit geval van de oorspronkelijke eiseres (nl. [A]) op Bull's Eye, mogelijk is; zie daarvoor bijvoorbeeld HR 8 juni 1973, NJ 1974, 76 m.nt. DJV.
6 Het is mij niet helemaal duidelijk geworden of het hof daarmee de handelaar die de auto aan Chrysler aanbood op het oog heeft, dan wel Chrysler zelf - ik vermoed dat Chrysler bedoeld is.
7 De ervaring leert intussen dat er bij aankoop van een tweedehands auto ook heel goed iets aan de beschikkingsbevoegdheid van de voorman kan schorten als die wèl autopapieren bezit waar niets op valt aan te merken (dat zou bijvoorbeeld in de onderhavige zaak het geval zijn geweest wanneer Cavendor het kentekenbewijs op haar naam had laten stellen; namens Chrysler is er terecht op gewezen dat Cavendor, omdat zij over alle delen van het kentekenbewijs beschikte, dat zonder noemenswaardig probleem had kunnen bewerkstelligen). Ik zie geen aanleiding om de beslissing van de Hoge Raad zo te lezen, dat ook in dàt geval de koper het risico draagt van het achterwege laten van nader onderzoek (bijvoorbeeld door de voorman te vragen naar de eerdere herkomst van de auto, of door recherche in het kentekenregister). In de hier veronderstelde situatie, dus waar de autopapieren "prima facie" geheel in orde zijn, zal "in de gegeven omstandigheden" gewoonlijk géén nader onderzoek van de verkrijger verlangd mogen worden. (Dat men daarover ook anders kan denken blijkt intussen uit sommige recente beslissingen in de Belgische rechtspraak, zie voetnoot 16 hierna).
8 Als men zich afvraagt welke uitzonderingen de Hoge Raad voor ogen hebben gestaan, kan men bijvoorbeeld denken aan het geval dat de koper de verkoper goed kent en uit dien hoofde weet dat de aangeboden auto (al lang) eigendom van de verkoper is, hoewel die het copie deel III niet blijkt te bezitten. Het is moeilijker om een geval te bedenken waarin achteraf toch nog kan blijken dat de verkoper niet beschikkingsbevoegd was. Dat accentueert dat er in een van de gevallen die de Hoge Raad op het oog zal hebben gehad inderdaad gewoonlijk érg weinig reden voor de verkrijger bestaat, om te betwijfelen of zijn voorman wel bevoegd is. Hoe uitzonderlijker de samenloop van omstandigheden die daarvoor nodig is, des te minder aanleiding is er voor iemand die van die omstandigheden geen weet heeft, om daar toch rekening mee te houden.
9 Wanneer men deze beslissing zo uitlegt, blijkt daaruit op dit punt dus een (aanmerkelijk) strengere norm dan die waartoe A-G Franx had geconcludeerd.
10 Zie bijvoorbeeld Pitlo c.s., Goederenrecht, 2001, nr.154; (overigens kritisch) Gerbrandy, Praktijkgevallen Goederenrecht, 1995, p.221 - 222; Kleijn, noot bij NJ 1986, 810 sub V; Nieuwenhuis, AAe 1986, p. 793 - 794; Brahn, Kwartaalbericht NBW 1987, p. 28 - 29; zie ook Asser-Mijnssen- De Haan, 2001, nr. 333. Nieskens-Isphording en Schaminée, Advocatenblad 1988 p. 3 geven aan dat de praktijk inmiddels (op het voetspoor van het besproken arrest) een zeer strenge maatstaf voor de beoordeling van het beroep op goede trouw van de verkrijger hanteert.
12 De bedoelingen van de regeling blijken o.a. uit de toelichting, zoals aangehaald in de conclusie van A-G Franx voor het arrest van 4 april 1986 (NJ 1986, 810), onder nr. 8.
13 Kleijn in zijn in voetnoot 10 aangehaalde noot.
14 Zie voor de destijds geldende regels art. 4 WetPro op de motorrijtuigenbelasting (inmiddels art. 5 WetPro op de belasting van personenauto's en motorrijwielen), art. 40 WegenverkeerswetPro en HR 25 mei 1993, NJ 1994, 15 en art. 31 WegenverkeerswetPro (inmiddels art. 1 lidPro 3, art. 181 enProart. 185 WegenverkeerswetPro).
15 Ik ben het wel met de schriftelijke toelichting namens Bull's Eye (p. 9) eens dat het, gezien de risico's die de houder van het kenteken met het oog op fiscale, strafrechtelijke en civielrechtelijke aansprakelijkheid loopt, verwonderlijk is dat de praktijk zo zou zijn als door het hof voor niet-onaannemelijk is gehouden. Dat brengt echter niet mee dat de betreffende overweging van het hof onbegrijpelijk is - a fortiori in het licht van het aanstonds in voetnoot 17 te bespreken aspect. Van algemene bekendheid zijn de feiten waarop Bull's Eye zich hier beroept zeker niet.
16 Het verbaast niet dat de beoordeling van de goede trouw van de verkrijger van een auto ook elders afwegingsproblemen m.b.t. diens onderzoeksplicht oproept. Zie voor een overzicht van recente Belgische jurisprudentie Tijdschrift voor Privaatrecht 2001 p. 1177 e.v.; de rechtspraak in Duitsland, ofschoon gebaseerd op de restrictief geformuleerde norm van § 932 BGB (en de navenant restrictieve subnormen die het BGH daaruit heeft afgeleid), komt tot zeer vergelijkbare uitkomsten voor het geval van verkrijging van een tweedehands auto terwijl het kenteken niet op naam van de vervreemder staat, zie bijvoorbeeld Palandt, Bürgerliches Gesetzbuch (2002), randnr. 13a bij § 932; Von Staudinger, Kommentar (1995), randnr. 63 bij § 932, en BGH 13 april 1994, NJW 1994, p. 2022 e.v.
17 Chrysler had stellingen van de hier besproken strekking bij conclusie van dupliek in eerste aanleg (onder nr. 3) aangevoerd, en heeft daarnaar in appel (antwoordakte van 18 juli 2000) opnieuw verwezen. (Ik meen dus, anders dan in de schriftelijke toelichting namens Bull's Eye wordt verdedigd, dat deze stelling niet pas in het laatstgenoemde stuk (tevens het laatste processtuk) is aangevoerd; en dat daarom ook niet juist is dat Bull's Eye daarop niet heeft kunnen reageren. Ik merk daarbij op dat het middel geen klacht op het laatstgenoemde punt - het in de beoordeling betrekken van een stelling waarop de andere partij niet heeft kunnen reageren - inhoudt). In de processtukken vind ik geen stellingen van de kant van Bull's Eye waarin dit betoog van Chrysler wordt weersproken. Het hof werd daarom in dit opzicht niet voor vragen van bewijslastverdeling geplaatst.
18 Eindarrest, rov. 7.3.
19 Dergelijke argumenten zijn in verschillende opzichten denkbaar, waarbij natuurlijk veel afhangt van de stellingen die Chrysler aan de onderhavige - in werkelijkheid dus niet gevoerde - verweren ten grondslag zou hebben gelegd. Omdat dat in werkelijkheid dus niet gebeurd is, vind ik het niet verantwoord om mij in veronderstellingen over mogelijke argumenten ten verwere aan de kant van Bull's Eye te begeven. Ik wil niet onvermeld laten dat in het kader van de beoordeling van de op onrechtmatig handelen van Chrysler gebaseerde vordering de vraag van de ogenschijnlijk weinig zorgvuldige handelwijze van Target - zie ook voetnoot 3 hiervóór - misschien een andere rol speelt dan in de louter goederenrechtelijke context van art. 2014 (oud) BW - zie wat dat laatste betreft o.a. HR 18 januari 1991, NJ 1992, 667 m.nt. CJHB onder nr. 668, en voor verdere vindplaatsen Snijders - Rank-Berenschot, Goederenrecht (2001), nr. 374.
20 Zie bijvoorbeeld HR 14 november 1969, NJ 1970, 362 m.b.t. het tweede middel; Veegens - Korthals Altes - Groen, Cassatie in Burgerlijke Zaken, 1989, nr 127.