ECLI:NL:PHR:2002:AE4368
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nietigheid rechtshandelingen wegens schending voorkeursrecht gemeente bij gronduitgifte
De zaak betreft een geschil tussen de gemeente Bergh en partijen [verzoekster 2] en [verzoeker 1] over het voorkeursrecht van de gemeente op bepaalde percelen grond binnen het plangebied van het Euregionaal Bedrijventerrein. De gemeente vordert nietigverklaring van twee overeenkomsten tussen [verzoekster 2] en [verzoeker 1], omdat deze de voorkeurspositie van de gemeente zouden frustreren.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de overeenkomsten in beginsel afbreuk doen aan het voorkeursrecht, maar dat een uitzondering mogelijk is indien de zelfrealisator bereid en in staat is de bestemming zelf te verwezenlijken en zich zodanig jegens de gemeente verbindt dat de gerechtvaardigde belangen van de gemeente voldoende worden gewaarborgd. Het geschil spitste zich toe op de vraag of de gemeente een bijdrage in de ontwikkelingskosten mag verlangen als voorwaarde voor zelfrealisatie.
De Hoge Raad bevestigt dat de gemeente gerechtigd is een redelijke bijdrage in de kosten van bovenwijkse voorzieningen en voorzieningen van openbaar nut te vragen, welke anders via de gronduitgifteprijs zouden worden verhaald. Het verweer van zelfrealisatie faalt indien de zelfrealisator niet bereid is deze bijdrage te leveren. De Hoge Raad overweegt dat dit belang van de gemeente onderdeel is van de gerechtvaardigde belangen die door de Wet voorkeursrecht gemeenten worden beschermd.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de bijdrage niet beperkt hoeft te zijn tot de mogelijkheden van baatbelasting of exploitatieovereenkomst en dat de gemeente in het kader van haar regiefunctie ook andere kostenverhaalsmogelijkheden kan benutten. De Hoge Raad wijst op het belang van transparantie en consistentie in de eisen die de gemeente stelt en benadrukt dat de bijdrage moet aansluiten bij het door de gemeente gevoerde beleid.
Ten aanzien van de fase III-gronden oordeelt de Hoge Raad dat de nietigverklaring van de overeenkomsten ook hier terecht is, omdat de zelfrealisatie niet voldoende waarborgt dat de gerechtvaardigde belangen van de gemeente worden beschermd. De Hoge Raad verwerpt de cassatieberoepen van partijen en bevestigt de eerdere uitspraken van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de nietigverklaring van de rechtshandelingen wegens schending van het voorkeursrecht van de gemeente, omdat de zelfrealisatie niet gepaard ging met een redelijke bijdrage in de ontwikkelingskosten.