ECLI:NL:PHR:2002:AE4382
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing vordering tot voortgezet gebruik voormalige echtelijke woning na echtscheiding
Partijen waren gehuwd in algemene gemeenschap van goederen en zijn in 1998 gescheiden. De vrouw kreeg tijdelijk het recht om de voormalige echtelijke woning te bewonen. Na afloop van die termijn ontruimde de man de woning zonder executoriale titel, waarop de vrouw een kort geding startte om het gebruik voort te zetten.
De President van de Rechtbank wees de vordering af, stellende dat een executoriale titel voor ontruiming niet noodzakelijk was omdat een vordering tot ontruiming in rechte zou zijn toegewezen. Het Hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat na afloop van de termijn beide partijen gelijk recht hebben op gebruik van de woning, waardoor geen exclusief recht voor de vrouw bestond.
De vrouw stelde cassatie in tegen het oordeel van het Hof dat beoordeeld moest worden hoe de rechter zou hebben beslist indien de man ontruiming in rechte had gevorderd. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat het Hof terecht het voorlopige oordeel over de kansen van een ontruimingsvordering als maatstaf heeft genomen voor de afwijzing van de vordering tot voortgezet gebruik.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vordering tot voortgezet gebruik van de voormalige echtelijke woning wordt afgewezen na afloop van de wettelijke termijn.