2. Tussen partijen heeft zich het volgende voorgedaan:
i)Partijen zijn op 30 mei 1968 met elkaar in algemene gemeenschap van goederen gehuwd.
ii) Bij beschikking van de Rechtbank te Almelo van 11 november 1998 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is onder andere bepaald dat de vrouw bevoegd is om gedurende twee maanden nadat de echtscheiding van kracht is geworden de bewoning van de echtelijke woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] en het gebruik van de bij die woning en tot het huisraad daarvan behorende zaken voort te zetten.
iii) De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking; het Hof te Arnhem heeft de beschikking op 13 april 1999 bekrachtigd. Er is geen cassatieberoep ingesteld.
iv) De echtscheidingsbeschikking is op 5 juli 1999 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
v) Namens de man zijn op 23 september 1999 de vorenbedoelde beschikkingen aan de vrouw betekend met bevel aan de vrouw om - kort gezegd - binnen drie dagen na betekening de woning te ontruimen en deze te verlaten met afgifte van de sleutels aan de man.
vi) Namens de man is op 4 oktober 1999 door middel van een deurwaardersexploot aan de vrouw aangezegd dat ontruiming van de woning zal worden bewerkstelligd op 26 oktober 1999 vanaf 9.30 uur. Deze ontruiming heeft op 26 oktober 1999 plaatsgevonden.
vii) Ten tijde van de echtscheidingsprocedure huurde de man een woning aan de [b-straat] te [woonplaats], waarvan de huurprijs ongeveer f. 500,- per maand bedroeg. In deze periode huurde de vrouw van de Hengelose Bouwstichting Ons Belang een woning aan de [c-straat 1] te [woonplaats], waarvan de huurprijs f. 919,- per maand bedroeg. De hypothecaire lasten met betrekking tot de echtelijke woning zijn steeds door de man voldaan.
viii) De vrouw heeft op 10 juni 1999 de huur van de door haar gehuurde woning aan de [c-straat 1] te [woonplaats] met ingang van 10 juli 1999 opgezegd.
ix) Bij vonnis van de President van de Rechtbank te Almelo van 30 december 1999 is - in conventie - toegewezen de door de man ingestelde vordering tot opheffing van een namens de vrouw gelegd maritaal beslag op de woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] en zijn - in reconventie - afgewezen de door de vrouw ingestelde vorderingen tot - kort gezegd - afgifte aan de vrouw van de sleutels van de woning aan de [a-straat 1] en tot het gehengen en gedogen dat de vrouw gerechtigd is tot de bewoning van deze woning en het gebruik van het daarbij behorende huisraad tot en met de dag waarop in het kader van de boedelscheiding de akte van levering is ingeschreven in de kadastrale registers afgewezen. Tegen dat vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
x)Bij vonnis van de President van de Rechtbank te Almelo van 31 maart 2000 zijn de door de man ingestelde vorderingen tot - kort gezegd - medewerking van de vrouw aan de verkoop van haar aandeel in de voormalige echtelijke woning aan derden toegewezen. Dit vonnis is door het Hof te Arnhem bekrachtigd bij arrest van 13 juni 2000. De vrouw heeft cassatieberoep ingesteld. In deze, hiervoor onder 1 reeds genoemde, zaak is, zoals gezegd, eveneens heden geconcludeerd.