ECLI:NL:PHR:2002:AE4546
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling motiveringsklacht tegen machtiging voortgezet verblijf psychiatrisch ziekenhuis
De zaak betreft een verzoek tot machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis van betrokkene, naar aanleiding van een incident waarbij zij gevaarlijk had gereden. De rechtbank verleende de machtiging na een geneeskundige verklaring en een hoorzitting met de betrokkene en haar behandelend arts.
Betrokkene stelde cassatieberoep in met klachten over de wijze van totstandkoming van de beschikking en het gebrek aan motivering, met name over het onvoldoende ingaan op het gestelde gevaar van rijden en het niet innemen van medicatie.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel niet voldeed aan de vereisten van art. 426a Rv en dat de rechtbank terecht het primaire verzoek om aanhouding had afgewezen. De rechtbank had het wettelijke criterium van gevaar voldoende in acht genomen en met een summiere motivering volstaan, gelet op de medische verklaringen die het gevaar voor betrokkene zelf onderbouwden.
De klachten over onvoldoende motivering faalden omdat de rechtbank op basis van de stukken en de hoorzitting een voldoende indicatie van gevaar had gegeven. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de machtiging tot voortgezet verblijf.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de machtiging tot voortgezet verblijf blijft van kracht.